Hij ging met zijn broers Godfried van Bouillon en Boudewijn van Boulogne mee op de Eerste kruistocht in 1097. Nadat het Heilige Land veroverd was, keerde Eustachius als enige terug naar huis om zijn titel van graaf te pretenderen. (Volgens geschiedschrijvers was Eustachius de oudste van de drie zonen van Eustaas II, dus de rechtmatige troonopvolger), dit was hij al vanaf 1187. Nadat zijn broer Boudewijn (inmiddels koning Boudewijn I van Jeruzalem) in 1118 overleed kreeg Eustatius te horen dat hij aanspraak maakte op de troon. Na enige tijd geaarzeld te hebben besloot hij toch de reis te maken naar het Heilige Land, echter moest hij halverwege vernemen (Apulia) dat een ander familielid Boudewijn du Bourg inmiddels gekroond was tot koning. Eustaas overleed in 1125 waarna zijn dochter Mathildis het domein van Boulogne erfde.
Hij wordt beschreven in het gedicht Chanson du chevalier au cygne, en in de Opera Lohengrin zijn ook gegevens over het leven van Eustaas in het stuk verwerkt.
Toen zijn vader Arnulf in 993 sneuvelde, was Dirk III nog te jong om het bestuur op zich te nemen, waarop zijn moeder Lutgardis van Luxemburg deze taken waarnam. In 1005 was Dirk oud genoeg om zelfstandig het graafschap te besturen, maar maakte nog steeds dankbaar gebruik van de goede connecties van zijn moeder: zij riep de hulp in van haar zwager, de Duitse koning Hendrik II, om een Friese opstand te onderdrukken. De koning vertrok vanuit Utrecht per schip met een leger naar Friesland en bracht de aanvallen tot staan.
Conflict met de keizer
Dirk was actief in de ontginning van moerassen door gronden te verpachten aan Friezen die het in cultuur brachten, maar die wilde gronden werden door de bisschoppen van Utrecht als hun gebied beschouwd. Rond 1015 koloniseerde Dirk zo de Riederwaard. Bovendien bouwde hij een burcht in Vlaardingen, waarschijnlijk op de plek waar zich nu de Grote Kerk bevindt bevindt, waar het riviertje de Flarding (tegenwoordig de Vlaardingse haven) uitmondde in de Merwede (tegenwoordig de Nieuwe Waterweg). Vanuit die burcht dwong hij de kooplieden die langs kwamen varen, onderweg van Tiel naar Engeland en vice versa, om tol te betalen. Deze kooplieden én ook bisschop Adelbold van Utrecht riepen daarom de hulp in van de Duitse keizer. De keizer gaf in 1018 zijn neef Dirk de opdracht om zijn vesting te ontruimen. In plaats van zijn leenheer te gehoorzamen, verschanste Dirk zich op zijn burcht en de keizer kon nu niet anders dan een leger op hem af sturen. Dit leger, onder leiding van hertog Godfried de Kinderloze, bestond uit een vloot met troepen uit Utrecht, Keulen en Luik.
De veldslag in het moeras
Op 29 juli 1018 kwam het tot de Slag bij Vlaardingen. Het laatste stuk naar de burcht moest via land worden afgelegd, wat lastig ging omdat het gebied vol met sloten en dijken lag. Het duurde niet lang voor het leger van Godfried vastliep en noodgedwongen moest terugkeren naar hun schepen om een andere route te zoeken. Op de terugweg liep het leger echter in hinderlaag van de troepen van Dirk. Godfried maakte met zijn leger een tactische terugtrekkende beweging, waarop iemand uit het Friese kamp riep dat de voorste gelederen verslagen waren en de hertog op de vlucht sloeg. Hierop raakten de troepen van Godfried zo in paniek dat velen in volle wapenuitrusting de rivier in sprongen, in een poging de schepen te bereiken. Andere kwamen vast te zitten in het moeras. Dirk maakte direct gebruik van de paniek en het machtige leger van de hertog werd volledig in de pan gehakt. Godfried werd hierbij gevangengenomen.
Hierosolymita
In de 12e-eeuwse Annalen van Egmond staat Dirk III vermeld met de bijnaam Hierosolymita, de Jeruzalemganger. Dat duidt erop dat hij een pelgrimstocht naar het Heilige Land heeft gemaakt. Volgens de 14e-eeuwse geschiedschrijver Johannes de Beke heeft Dirk zijn tocht rond het jaar 1030 ondernomen.
Het bewind van Dirk III
Tijdens zijn graafschap wist Dirk zijn gebied uit te breiden richting het oosten. Deze uitbreiding ging ten koste van het bisdom Utrecht. De uitbreiding bestond onder meer uit het gebied ten zuidoosten van Alphen, tussen Zwammerdam en Bodegraven. In 1017/1018 zou Dirk ook nog een oorlog tegen de Friezen hebben gevoerd. Nadat de keizer in 1024 kinderloos overleed, steunde Dirk Koenraad II in diens strijd om de opvolging. Na het overlijden van Dirk III, ging zijn vrouw terug naar Saksen, waar zij op 31 maart 1044 overleed. Dirk III is begraven in de Abdij van Egmond. Othilde werd begraven in Quedlinburg.
Hierdoor kwam hij in conflict met de keizer en de rijksbisschoppen. De Duitse keizer Hendrik III trok daarom persoonlijk tegen hem ten strijde en in 1046 dwong hij Dirk IV afstand te doen van het door hem veroverde gebied.
Kort nadat de keizer naar huis was vertrokken, begon Dirk de bisdommen Utrecht en Luik te plunderen. Bovendien sloot hij een verbond met Godfried met de Baard, de hertog van Opper-Lotharingen en de graven van Vlaanderen en Henegouwen. Hierop volgde in 1047 een tweede strafexpeditie waarbij de keizer Vlaardingen en de grafelijke burcht te Rijnsburg veroverde. De burcht werd geheel verwoest. Tijdens de terugtocht leed de keizer echter grote verliezen waardoor Dirks bondgenoten nu ook openlijk tegen de keizer in opstand kwamen. In 1049 werd Dirk IV door de bisschoppen van Metz, Luik en Utrecht in de val gelokt en gedood. Dirk was nog jong, ongehuwd en kinderloos. Hij werd opgevolgd door zijn broer Floris I.
Zijn kinderen waren:
Leopold II van Oostenrijk (-1095)
graaf Adelbert I van Pernegg (-1100)
een dochter, die huwde met graaf Herman I van Poigen
Justitia, die huwde met graaf Otto II van Diessen-Wolfratshausen.
| Friese graaf die van 1049 tot 1061 het bewind voerde over de gebieden die later bekend zouden worden als het graafschap Holland |
Hij was bekend om zijn moed, wijsheid en zijn voorbeeldige levenswandel. Boudewijn deed in 1084 een pelgrimstocht naar Santiago de Compostella, maar kwam ziek terug. Omdat hij zo goed verzorgd werd in de abdij van Charroux, stichtte hij als dank de abdij van Andernes, bij Guînes.
Boudewijn was gehuwd met Adelheid (1045-1085), dochter van Floris I van Holland, en werd vader van:
Gizela (1075-), gehuwd met Wenamar van Gent (1070-1120), 3de burggraaf van Gent, eerste kastelein van Gent en heer van Bornem, werd de moeder van Arnoud I van Guînes
Adelheid (1080-1142), gehuwd met heer Godfried II van Semur en Brionnais
Manasses (1075-1137)
Fulk, graaf van Beiroet
Gwijde
Hugo, aartsdiaken.
De bisschop van Utrecht maakte van deze situatie gebruik om beslag te leggen op grote delen van Holland zodanig dat enkel nog een klein gedeelte in het westen aan Dirk V bleef.
Eenmaal zelfstandig regerend vanaf 1070, (zijn stiefvader was immers druk begaan met de opvolgingskwestie in Vlaanderen), trachtte hij zijn verloren gebieden te heroveren. Maar de bisschop werd gesteund door de hertog van Neder-Lotharingen, Godfried IV. Deze werd, bij een controlereis langsheen het Friese grensgebied, vermoord door opstandelingen (1076). Kort daarop stierf ook de bisschop.
Dit alles stelde Dirk V in staat om alle gebieden te heroveren op de nieuwe bisschop van Utrecht en deze zelfs gevangen te nemen. In ruil voor zijn vrijlating bekwam Dirk V de rechtmatige claim op al zijn grondgebied. Hij kreeg rond 1080 een zoon, Floris II die zijn opvolger werd toen hij overleed in 1091. Hij werd begraven in de abdij van Egmond.
Voor zijn huwelijk had hij een buitenechtelijke relatie waaruit een dochter Hadewijch Florisdr werd geboren. Hadewijch trouwde ca 1115 met Hugo III van Voorne.
Omstreeks 1108 trouwde Floris II met Geertruida van Saksen, dochter van de hertog van Opper-Lotharingen en een halfzus van de Rooms-Duitse koning Lotharius III van Supplinburg. Geertruida veranderde haar naam waarschijnlijk bij haar huwelijk in Petronilla. Hiermee wilde ze vermoedelijk uiting geven aan haar verbondenheid met Petrus en de paus. Zij kregen samen minstens 3 kinderen : Dirk die zijn vader zou opvolgen, Floris die bekend werd als Floris de Zwarte en Simon die kanunnik te Utrecht werd.
Floris II beëindigde het conflict met de bisschop van Utrecht, waarschijnlijk door hem in 1101 als leenheer te erkennen. Nadat hij zijn gebied had uitgebreid met Leiden en omgeving, kreeg hij van de bisschop de titel Graaf van Holland. Floris II is de eerste die zo genoemd werd; daarvoor werd zijn domein nog als het graafschap Friesland aangeduid.
De bijnaam de Vette of de Dikke had waarschijnlijk met zijn zwaarlijvigheid te maken, maar het kan ook een verwijzing naar zijn rijkdom zijn geweest. Floris II gold in zijn tijd namelijk als zeer rijk door het geld dat hij verdiende met veenontginningen, die hij sterk stimuleerde, en tolheffing aan de monding van de grote rivieren. Floris verkoos om niet deel te nemen aan de eerste kruistocht. Floris heeft tijdens zijn bewind diverse houten kerken vervangen door kerken van tufsteen.
Toen Floris overleed was zijn zoon Dirk nog maar 7 jaar oud. Zijn moeder bestuurde Holland als regentes tot Dirk oud genoeg was.
| de eerste Friese graaf die zich niet langer graaf van Frisia noemde, maar graaf van Holland: "Florentius comes de Hollant" |

Toen zijn vader Floris II in 1122 stierf, was Dirk VI nog te jong om het bestuur op zich te nemen, waarop zijn moeder Petronilla van Saksen deze taken waarnam. In 1123 hielp Petronilla haar halfbroer hertog Lotharius in zijn strijd tegen keizer Hendrik V. Nadat Lotharius in 1125 zelf koning van het Heilige Roomse Rijk werd, voegde hij Rijnland en Leiden, (formeel sinds 1064 Utrechts bezit), bij Holland. In 1133 stichtte Petronilla de abdij van Rijnsburg. Omdat ze geen vertrouwen had in de nogal ambitieloze Dirk, rekte Petronilla haar regentschap, zodat haar zoon Floris het graafschap kon overnemen.
Floris de Zwarte
Deze Floris (bijgenaamd de Zwarte) bezat wel de ambities die bij zijn oudere broer leken te ontbreken. Hij kwam openlijk in opstand tegen zijn broer en werd van 1129 tot 1131 ook als graaf van Holland in oorkonden genoemd. Zelfs Rooms-koning Lotharius en bisschop Andries van Utrecht erkenden Floris als de rechtmatige graaf van Holland. In maart 1131 werd Dirk VI echter weer officieel graaf van Holland genoemd en lijken de broers zich te hebben verzoend. Zo’n 6 maanden later (augustus 1131) stonden de broers alweer tegenover elkaar, nadat de opstandige Westfriezen Floris de heerschappij over heel West-Friesland hadden aangeboden. Floris accepteerde dit maar al te graag, en ook de Kennemers sloten zich daarna bij de opstand aan. Een jaar later in augustus 1132 kwam Rooms-koning Lotharius tussenbeide, en werd de broedertwist wederom bijgelegd, ook al had dit weinig invloed op het verzet van de Friezen. In 1133 werd Floris de Zwarte vlakbij Utrecht vermoord door Herman en Godfried van Kuyk. Lotharius liet als straf het kasteel van Herman en Godfried vernietigen, en ze werden bovendien verbannen.
De bedevaart van Dirk
In 1138 ondernam Dirk VI samen met zijn vrouw een pelgrimstocht naar Jeruzalem. Tijdens deze tocht werd hun zoon Peregrinus (Pelgrim) geboren. Op de terugreis bezocht Dirk Paus Innocentius II, en droeg de abdij van Egmond en de door zijn moeder gestichte abdij van Rijnsburg aan hem op. Hiermee onttrok hij de abdijen aan het kerkelijk gezag van het Aartsbisdom Utrecht.
De burcht van Leiden
Tijdens het graafschap van graaf Dirk VI werd de houten Burcht van Leiden vervangen door een stenen. De burcht stond op een motte en bestond uit een ronde muur met daarin een donjon. Vanuit deze burcht (waarvan de resten nog steeds in het centrum van Leiden staan) zouden de graven van Holland het gebied voortaan besturen.
De Echternachse kwestie
In 1156 loste Dirk VI de slepende kwestie rond de Echternachse kerken op. Rond 923 had Dirk I in Egmond een klooster gesticht. Deze Abdij van Egmond kreeg de kerkelijke rechten over het gebied, in plaats van de door Willibrordus gestichte Abdij van Echternach. De abdij van Echternach ondernam herhaaldelijk pogingen het verloren bezit terug te krijgen; dit had tot gevolg dat in 1063 de bisschop Willem I van Utrecht de kerken in het gebied over beide abdijen verdeelde. De abdij van Egmond wilde deze verdeling uiteraard niet accepteren. Dirk VI loste het conflict op door de abdij van Echternach, in ruil voor de gebieden, land op Schouwen en de inkomsten van de grote kerk in Vlaardingen te schenken. Dat de abt van Egmond, die bij de overdracht aanwezig was, weinig gecharmeerd was van deze oplossing, bleek wel toen hij Dirk VI en zijn zoon Floris kort erop in de ban deed. Deze ban is er waarschijnlijk de oorzaak van dat Dirk VI niet in Egmond maar in de Abdij van Rijnsburg werd begraven
| graaf van Holland vanaf 1122, aanvankelijk onder het voogdijschap van zijn moeder |
Ze ging driemaal op bedevaart naar Jeruzalem en eenmaal naar Santiago de Compostella. Ze is uiteindelijk op bedevaart in Jeruzalem overleden.
| was bisschop van Utrecht van 1178 tot 1196. |
Beide kandidaten reisden daarop naar Rome, waar Arnold in 1196 door paus Innocentius III tot bisschop van Utrecht werd gewijd. Snel daarna overleed hij en Dirk I werd alsnog geconsacreerd. Hij overleed op de terugweg van Rome naar Utrecht te Pavia.
| was bisschop van Utrecht in 1197 |
In 1187 werd hij genoemd als burggraaf van Coevorden, en in 1189 nam hij deel aan de derde kruistocht.
Huwelijk en kinderen
Otto was gehuwd met Alveradis van Cuijk-Arnsberg (overleden na 1205), dochter van Godfried I van Cuijk en Ida van Arnsberg.
Uit dit huwelijk kwamen vier kinderen voort:
1.Egbert, vermoord tussen 1200 en 1211
2.Boudewijn I van Bentheim
3.Otto, bisschop van Münster
4.Sophia, getrouwd met een graaf van Virneburg
| graaf van Bentheim |
De graven van Holland, Gelre en Kleef namen gezamenlijk aan de Derde Kruistocht deel. Keizer Frederik Barbarossa verdronk toen hij een rivier wilde oversteken en graaf Floris III stierf niet lang na hem, op 1 augustus 1190, van uitputting in Antiochië. Andere bronnen wijten zijn dood aan de gevolgen van de pestepidemie die in Antiochië heerste op dat moment. Hij werd begraven in de Petruskerk van Antiochië.
| was van 1157 tot 1190 graaf van Holland |
Keizer Hendrik VI van het Heilige Roomse Rijk was verwikkeld in een oorlog met de door de paus gesteunde tegenkeizer Otto IV en moest gunsten uitdelen om vrienden te maken. In ruil voor steun gaf hij Dirk VII de Groote of Hollandsche Waard (van het bisdom Utrecht) en kreeg hij het recht tol te heffen van Vlaamse handelaars bij Geervliet. Bovendien kreeg Dirk VII in 1196 het tijdelijk bewind over het bisdom Utrecht toegekend, en kon hij zijn oom Dirk van Holland als Bisschop van Utrecht laten aanstellen. Nadat keizer Hendrik VI in 1197 overleed en werd opgevolgd door zijn 4-jarige zoon, veranderde Dirk van partij en ging Otto IV steunen.
De Broedertwist
Nadat zijn jongere broer Willem, die zijn vader had begeleid tijdens de derde kruistocht, in september 1191 was teruggekeerd, ontstond er al vrij vlug onenigheid tussen de nieuwe graaf en zijn broer. Willem zocht daarom steun bij de opstandige Friezen.
Omdat Dirk op dat moment niet weg kon uit Zeeland stuurde hij zijn vrouw Aleida met een leger naar West-Friesland. In november 1195 kwam het tot een treffen tussen Aleida en haar zwager Willem. Aleida wist het treffen naar haar hand te zetten door de leiders van Oude Niedorp en Winkel om te kopen.
Uiteindelijk werd de ruzie tussen beide broers bijgelegd, en kreeg Willem het bestuur over het graafschap Midden-Friesland. Deze functie bracht Willem echter al snel weer in conflict met zijn broer.
Hendrik de Kraan, heer van Kuinre, hield plundertochten in Midden-Friesland. Willem nam wraak en vernietigde de Kuinderburcht. Deze Hendrik van Kuinre was leenman van Bisschop van Utrecht. Dirk VII had van Hendrik VI in 1196 het tijdelijk bewind over het bisdom Utrecht toegekend gekregen, en zijn oom Dirk van Holland als bisschop van Utrecht laten aanstellen. Dirk VII kon dus niet toestaan dat zijn broer bezittingen van het bisdom Utrecht vernielde, en liet Willem door Hendrik van Kuinre gevangennemen.
Willem ontsnapte echter en vluchtte naar Otto I van Gelre. Dirk VII was als beheerder van het bisdom Utrecht namelijk in conflict gekomen met Otto van Gelre omdat deze het Oversticht (Overijssel en Drenthe) wilde bemachtigen van het bisdom. Dirk VII versloeg Otto bij de Grebbeberg.
De oorlog met Brabant
Deze Otto van Gelre riep in 1202 de hulp van Dirk VII omdat hij in conflict met de hertog van Brabant was geraakt. Dirk trok met zijn leger naar Brabant, waar hij het net gestichte ’s-Hertogenbosch (een rivaal van zijn Geertruidenberg) op 7 september 1202 verwoestte.
Op de terugweg raakte hij bij Heusden slaags met het sterke leger van de hertog van Brabant. Dirk werd gevangengenomen en pas na betaling van een hoog losgeld en het aanvaarden van zeer ongunstige voorwaarden werd hij weer vrijgelaten. Niet alleen over het deel van zijn gebied ten zuiden van het Hollands Diep, maar ook over Zuid-Holland moest hij de Brabantse hertog als leenheer erkennen. Voor het overige deel van Holland werd de nieuwe bisschop van Utrecht de leenheer. Hierdoor verloor Holland zijn overwicht in de noordelijke Nederlanden.
Toen Dirk VII een jaar later stierf, werd hij opgevolgd door zijn op dat moment enige nog in leven zijnde dochter Ada van Holland.
| was graaf van Holland vanaf 1190 |
Ze was een dochter van graaf Diederik IV van Kleef. Ze had een actieve rol in de grafelijke politiek. Zo was ze als bevelhebber met een grafelijk leger in Egmond, terwijl haar man in Zeeland een andere oorlog moest uitvechten.
| Ze was de eerste die de titel "gravin van Holland" droeg |
Haar oom Willem erkende Ada niet als gravin van Holland en riep zichzelf uit tot graaf van Holland. Hij kreeg daarbij steun van de edelen van Kennemerland waarna Aleid van Cleef en Lodewijk van Loon naar Utrecht moesten vluchten.
Ada werd op weg naar de begrafenis van haar vader door getrouwen van Willem bij Leiden in het nauw gedreven. Ze verschanste zich in de burcht van Leiden die na een kort beleg door de burggraaf van Leiden, Philips van Wassenaar, werd ingenomen. Ada werd door haar oom geïnterneerd op Texel. Haar gevangenschap is verdicht door A.C.W. Staring die haar laat verzuchten:
Feestlicht, aan den toorts ontstoken,
Die mijn Vaders Lijk bescheen;
Echt, van morrend Volk weersproken;
Van verbitterd Bloed bestreen,
’k Draag uw schuld! in Moederhanden
Blonk de Bruidstooi, mij ten val:
’k Sleep een boei, aan Texels stranden...
’k Was Gravinne, in Dordrechts wal!
Ach, dit hart! (aan Hem ontreten -
Mijn genoot in ’t kort gezag -
Nu op ’s waerelds vloen versmeten,
Waar mijn trouw niet volgen mag!)
Later werd ze naar de Engelse koning Jan zonder Land gezonden. Willem nam vervolgens het bestuur van het graafschap op zich. Wat volgde was de Loonse oorlog die tot 1206 zou duren. De oorlog eindigde met het verdrag van Brugge. Formeel werd het graafschap tussen Willem en Lodewijk van Loon opgedeeld. Willem kreeg Zeeland en de streek rond Geertruidenberg, Lodewijk de rest. Het lijkt er echter op dat Willem gewoon doorregeerde in Holland.
In 1207 wist Lodewijk van Loon Ada vrij te krijgen, maar Ada moest haar claim op het graafschap opgeven. Lodewijk en Ada probeerden het graafschap nog wel te heroveren en deze strijd werd onderdeel van de strijd tussen Frankrijk en de Hohenstaufen-dynastie. Willem wist Holland hier, door kundig tussen de partijen te manoeuvreren, zonder kleerscheuren doorheen te brengen en in 1213 moesten Lodewijk en Ada hun claim op het graafschap Holland definitief opgeven.
Ada stierf kinderloos in 1226 en werd begraven naast haar man Lodewijk II van Loon in de Abdij van Herkenrode in het Graafschap Loon.
| was gravin van Holland vanaf 1203 |
Ada’s oom Willem de Fries wilde zich van het graafschap Holland verzekeren en door middel van huwelijk met Lodewijk van Loon hoopte Aleid van Kleef dit af te wenden. De uitgebroken burgeroorlog door dit dispuut leek eerst gunstig te verlopen voor Lodewijk, hij wist de opstanders tot in Kennemerland te bedwingen, maar Willem wist zijn vrouw Ada vast te houden in de burcht van Leiden en vervoerde haar nadien naar Engeland. Toen was Willem overwinnaar, maar Lodewijk van Loon verbond zich met Hollandse vijanden o.a. bisdom Utrecht, Vlaanderen, Limburg en het bisdom Luik; Willem trok zich hierop eerst terug, maar, vooral gesteund door de Zeeuwen, hernieuwde hij de oorlog, en versloeg van Loon bij Leiden en sloot 1205 vrede met hem.
Hij verpandde de opbrengst van de tienden van Hasselt, Kermt, Kuringen en Stokrooie aan de abdij van Herkenrode ter compensatie van de 400 Luikse mark die hij van de abdij leende om naar het Heilig Land te gaan. Op zijn sterfbed schonk hij ze in volle eigendom aan de abdij.
Lodewijk en hertog Hendrik I van Brabant maakten als verwanten van Albert III, graaf van Moha aanspraak op een deel van de erfenis. Tijdens de slag van Steps versloeg hij als bondgenoot van prins-bisschop Hugo II van Pierrepont de Brabantse hertog. Tot aan zijn dood toe heeft van Loon getracht door verdragen en het opwerpen van moeilijkheden zijn tegenstander graaf Willem I nog te verpletteren, het was vergeefs. In 1205 woonde hij met zijne vrouw in het land van Loon, die hij vrij heeft weten te krijgen in Engeland. Hun huwelijk bleef kinderloos.
Van Loon kwam op 29 Juli 1218 door vergif om het leven en werd in de abdij Herckenrode begraven. Lodewijk werd opgevolgd door zijn broer Hendrik van Loon (voor drie dagen) en vervolgens door Arnold III.
| was van 1194 tot 1218 de zevende graaf van het graafschap Loon |
Otto II van Brandenburg (-1205)
Hendrik (-1192), graaf van Tängermunde
Albrecht II van Brandenburg (-1220).
In 1189 begeleidde Willem zijn vader toen die deelnam aan de derde kruistocht. Zijn vader overleed in 1190 tijdens de kruistocht en zelf werd Willem tijdens zijn terugtocht in Frankrijk gevangengenomen.
Hij keerde in 1191 in Holland terug en raakte in onmin met zijn oudere broer Dirk VII die zijn vader Floris III als graaf van Holland was opgevolgd. Willem zocht daarom steun bij de opstandige Friezen.
Omdat Dirk op dat moment niet weg kon uit Zeeland stuurde hij zijn vrouw Aleid met een leger naar West-Friesland. In november 1195 kwam het tot een treffen tussen Aleid en haar zwager Willem. Aleid wist het treffen naar haar hand te zetten door de leiders van Niedorp en Winkel om te kopen.
Uiteindelijk werd de ruzie tussen beide broers bijgelegd, en kreeg Willem het bestuur over het graafschap Midden-Friesland. Deze functie bracht Willem echter al snel weer in conflict met zijn broer.
Hendrik de Kraan, heer van Kuinre, hield plundertochten in Midden-Friesland. Willem nam wraak en vernietigde de Kuinderburcht. Deze Hendrik van Kuinre was leenman van de Bisschop van Utrecht. Dirk VII had van Hendrik VI in 1196 het tijdelijk bewind over het bisdom Utrecht toegekend gekregen, en zijn oom Dirk van Holland als Bisschop van Utrecht laten aanstellen. Dirk VII kon dus niet toestaan dat zijn broer bezittingen van het bisdom Utrecht vernielde, en liet Willem door Hendrik van Kuinre gevangennemen.
Willem ontsnapte echter en vluchtte naar Otto I van Gelre. Dirk VII was als beheerder van het bisdom Utrecht namelijk in conflict gekomen met Otto van Gelre omdat deze het Oversticht (Overijssel en Drenthe) wilde bemachtigen van het Bisdom. In 1197 trouwde Willem met Aleid van Gelre, de dochter van zijn gastheer.
De Loonse oorlog
Toen graaf Dirk VII in 1203 stierf was van zijn drie kinderen alleen zijn dochter Ada nog in leven. Willem betwistte het recht van opvolging van Ada, die onmiddellijk na de dood van haar vader in het huwelijk was getreden met Lodewijk II van Loon. Het gevolg was de zogenaamde "Loonse oorlog" Aanvankelijk was Willem aan de winnende hand maar in 1204 wist Lodewijk hem met behulp van de steun van de graaf van Vlaanderen en de bisschoppen van Luik en Utrecht naar Zeeland te verdrijven. Vanaf 1205 wist Willem het graafschap vanuit Zeeland te heroveren. In 1206 werd de vrede getekend en formeel werd het graafschap tussen Willem en Lodewijk van Loon opgedeeld. Willem kreeg Zeeland en de streek rond Geertruidenberg, Lodewijk de rest. Het lijkt er echter op dat Willem gewoon door regeerde in Holland. In 1213 ontving hij het graafschap als rijksleen van keizer Otto IV en hierna was Willem I ook in naam Graaf van Holland. In 1214 nam hij aan de zijde van keizer Otto IV deel aan de slag bij Bouvines. De Franse koning Philippe-August versloeg daar een coalitie van Duitsers, Engelsen en Vlamingen en hun bondgenoten. Hij wordt dan genoemd: de behaarde graaf van Holland.
De vijfde kruistocht
In 1216 nam Willem I deel aan een Franse expeditie naar Engeland tegen Jan zonder Land. De Engelse koning bracht het verdrag uit 1206 weer boven tafel en erkende alleen Lodewijk van Loon als graaf van Holland. Ook bereikte hij dat Willem I door de paus in 1216 werd geëxcommuniceerd. Mede om van deze ban af te komen heeft Willem I in 1217 aan de vijfde kruistocht deelgenomen. Op deze tocht verwierf hij veel roem.
Met zijn leger van Friezen, Hollanders en Vlamingen zeilde Willem langs de Europese kust op weg naar het heilige land. Door een storm raakten de schepen uit koers en de vloot, waarbij zich inmiddels ook Engelse schepen hadden gevoegd, zocht beschutting op een Portugese rivier. De Portugese koning Alfons II wist de kruisridders over te halen hem te helpen in de strijd tegen de Moorse overheersing in zijn land. Willem I gaf gehoor aan het verzoek en voer op 30 juli 1217 met zijn vloot naar Lissabon. De stad was tachtig jaar eerder tijdens de tweede kruistocht bevrijd, maar de Moren waren nooit helemaal verdreven uit Portugal. Na een hevige strijd om fort al-Kasr en met de belofte van Willem I op een vrije aftocht gaven de Moren zich op 21 oktober 1217 over. Eenmaal buiten de vesting stortte het leger van Willem I zich op de ongewapende Moren en slachtte dezen af. Als dank bood de Portugese koning de kruisridders land aan; vele ridders aanvaardden dit. Willem I verloor hierdoor een groot deel van zijn leger en vroeg daarom aan Paus Honorius III om hem te ontheffen van zijn kruisvaartverplichting en hem toe te staan in plaats daarvan de strijd in Portugal voort te zetten, maar de paus weigerde om op dit verzoek in te gaan. Een deel van de vloot ging daarna op weg naar Akko. Willem zelf overwinterde met de rest van de vloot in Portugal en zou later volgen.
In de lente van 1218 kwam Willem met de Friezen, Hollanders en Engelsen aan in Akko, waar de andere kruisridders zich reeds hadden verzameld. Besloten werd om de Noord-Egyptische stad Damiate te veroveren, zodat daarna de rest van het door de Ayyubiden geregeerde rijk kon worden ingenomen. Op 27 mei 1218 kwamen de kruisridders aan bij Damiate, en op 5 november 1219 viel de stad in handen van de kruisvaarders. De Egyptische Sultan al-Kamil stelde daarop voor om Damiate te ruilen voor Jeruzalem. De meeste kruisridders waren ingenomen met dit voorstel, maar de pauselijke afgezant Pelagius weigerde. Niet door onderhandelingen, maar door strijd moest Jeruzalem worden ingenomen. Toen Willem I dit hoorde ontstak hij in woede en keerde met zijn leger terug naar huis.
Pelagius en een deel van de kruisridders trokken verder Egypte in richting Caïro, maar zij werden verrast door de jaarlijkse overstroming van de Nijl. Hun legerplaats veranderde in een eiland en ze moesten het pas veroverde Damiate opgeven in ruil voor een vrije aftocht. Ontgoocheld keerden ze terug naar huis.
Bestuur
Willem I verleende stadsrechten aan Geertruidenberg (1213), Middelburg (1217), Dordrecht (1220) en waarschijnlijk ook aan Leiden. Tijdens zijn bewind zijn een aantal belangrijke waterstaatkundige werken uitgevoerd, waaronder de bedijking van de Groote of Hollandsche Waard.
Verder gaf hij een belangrijke aanzet tot het ontstaan van de hoogheemraadschappen.
Uit dit huwelijk werden vijf kinderen geboren:
Ricardis,
Ada, die omstreeks 1239 abdis van de abdij van Rijnsburg werd,
Floris, die Willem I als Floris IV in 1222 opvolgde,
Otto, die als Otto III in 1234 bisschop van Utrecht werd,
Willem.
Tijdens haar overlijden nam haar man Willem I deel aan de vijfde kruistocht.
Hendrik I regelde opnieuw een politiek huwelijk voor zijn inmiddels 30-jarige dochter. Zij trouwde in 1220 met de 55-jarige graaf Willem I van Holland, een belangrijke bondgenoot voor hertog Hendrik I. In 1222 werd Maria opnieuw weduwe.
Zij keerde na verloop van tijd weer terug naar het hertogdom Brabant, maar verbleef ook van tijd tot tijd op haar weduwegoed Dordrecht. Na de dood van haar vader in 1235 verkreeg zij de heerlijkheid Helmond en het goed Miskem, in de buurt van Leuven. Maria vestigde zich in het eerste kasteel van Helmond, ’t Oude Huys. Uit verschillende oorkonden is gebleken dat Maria zich intensief bezighield met de ontwikkeling van Helmond. Met name de stichting van de Abdij van Binderen, in 1244, hield haar bezig. Maria zorgde ervoor dat de Abdij in 1246 formeel werd opgenomen in de cisterciënzer orde.
Maria vormde in haar burcht naar alle waarschijnlijkheid een centrum van cultureel en hoofs leven. Archeologische vondsten bewijzen dit. Haar invloed binnen de hoofse literatuur komt duidelijk naar voren in verzenepos Demantin van Berthold van Holle. Ook zijn er duidelijk aanwijzingen dat Maria de Duitse dichter Wolfram von Eschenbach heeft begunstigd. In diens epos Parzival komt dit duidelijk naar voren.
De laatste jaren van haar leven verkeerde zij regelmatig in Dordrecht en Miskem. Of zij regelmatig in Helmond verkeerde is niet duidelijk. Maria van Brabant overleed in 1260 en werd naast haar moeder in de Sint-Pieterskerk in Leuven begraven.
Richardis van Holland geldt als een dochter uit het eerste huwelijk van graaf Willem I met Aleid van Gelre. Zij zou dan zijn vernoemd naar haar grootmoeder Richardis van Wittelsbach. Over haar jeugd is niets bekend. Ze was mondig in 1230, toen ze als getuige van haar broer graaf Floris IV optrad. Richardis, jonkvrouw van Holland, oorkondde voor het eerst zelf op 18 november 1243, met haar tantezegger graaf Willem II. Toen schonk zij de inkomsten van de botermaat te Delft aan de abdij van Rijnsburg. Zij zegelde met een ruiterzegel waarop zij met een valk op de hand te paard zit (Oorkonden Holland, Kruisheer ed., 468-469).
Ten huize van jonkvrouw Richardis verleende graaf Willem II in april 1246 privileges aan de poorters van Delft. Hiermee werd de prille stad losgemaakt uit het domaniale verband van de ‘Hof van Delft’, waar blijkens de oorkonde ook de woning van Richardis stond. In ruil voor de geschonken vrijheden dienden de poorters tot haar dood een jaarrente van vijftig pond aan Richardis te betalen. Twee jaar later schonk Willem zijn tante nog meer land in de Hof van Delft. Uit de opbrengst daarvan deed zij vanaf 1250 een jaarlijkse schenking voor wijn aan de abdij van Loosduinen, eveneens een grafelijke stichting.
De akten van 1246 en 1248 pasten in de grondpolitiek van graaf Willem II. Grote centraal geleide domeinen zoals de Hof van Delft werden door hem opgesplitst in kleinere eenheden die in pacht, leen of eigendom werden uitgegeven. Richardis van Delft, zoals Richardis in 1251 heette, leefde van haar lijfrente en van de opbrengst van enkele van deze percelen. Zoals veel hoogadellijke vrouwen zorgde zij daarnaast voor de nagedachtenis en het zieleheil van haar familie. De opbrengst van de Delftse botermaat was bestemd voor zielemissen voor haarzelf en de graven Willem I en II en Floris IV – en voor een rondje wijn na afloop. Nadat Willem II in 1247 tot rooms-koning was gekozen, werd besloten Richardis’ Delftse bezit om te zetten in een religieuze stichting. Daaraan werd de toepasselijke naam Koningsveld gegeven.
Op 24 juni 1251 bevestigde rooms-koning Willem haar voornemen. Voor het grondbezit van het te stichten mannenklooster in de Hof van Delft zou een lastenvrije voet van driehonderd hectare gelden. In september 1252 verleende paus Innocentius IV steun aan de schenkingen voor de voltooiing van de kloosterkerk van ‘jonkvrouw Richildis’ en een maand later nam hij het klooster Koningsveld officieel in bescherming. Het werd opgenomen in de orde van Prémontré. In 1258 blijkt het klooster min of meer geruisloos omgezet van een norbertijnen- in een norbertinessenklooster. Er zijn geen aanwijzingen dat jonkvrouw Richardis zelf het habijt heeft aangenomen, maar zij is vrijwel zeker in haar klooster blijven wonen. Haar laatste levensteken dateert van 21 augustus 1261, toen zij bemiddelde bij een grondaankoop. Volgens een Egmondse bron is zij op 3 januari 1262 in Koningsveld begraven. In juni 1262 (het klooster was toen nog steeds niet afgebouwd) werd zij door de bisschop van Utrecht postuum vermeld. Een testament is niet bewaard, maar haar tantezegster Aleid van Holland is uit een enkele oorkonde als erfgename bekend. In 1281 werd de jaaropbrengst van haar douarium in Delft, Delfland en Pijnacker (het kloostergoed niet meegerekend) geschat op duizend pond.
Richardis van Holland past in een traditie van vrouwen uit het Hollandse gravenhuis zoals Petronilla van Saksen, Machteld van Brabant en Aleid van Holland, die een grote rol in de eredienst en memoriecultuur van de familie speelden en belangrijke religieuze schenkingen deden, maar zelf niet als kloosterlinge bekend staan. In bronnen heet zij steeds ‘jonkvrouw’ (domicella). Niets wijst erop dat zij ooit gehuwd is geweest. Dat zij als non in Rijnsburg zou hebben geleefd, is door Maria Hüffer weerlegd (Hüffer, 46). Naast haar religieuze verdiensten voor de grafelijke familie lijkt het beheer van het grafelijke domein rondom Delft haar kerntaak te zijn geweest.
| was bisschop van Utrecht van 1233 tot 1249. |
Floris IV breidde zijn gebied uit met het Land van Altena. Floris nam deel aan de oorlog tegen de Stedingers in 1234. Hij overleed tijdens een toernooi te Corbie, Frankrijk, op 19 juli 1234. Volgens sagen maakte Floris een grote indruk op Mathildis II van Boulogne die hem vervolgens een liefdesbrief stuurde; haar man Filips Hurepel, die ook deelnam aan het toernooi, kon dit niet over zijn kant laten gaan en stak Floris dood.
| van 1222 tot 1234 graaf van Holland |
Machteld van Brabant overleed in 1267 en werd begraven in het cisterciënzerinnenklooster in Loosduinen, dat zij in 1230 samen met haar man had gesticht.
Willem II was de zoon van Floris IV en Machteld van Brabant. Op zevenjarige leeftijd volgde hij zijn vader op, toen deze in 1234 bij een toernooi in Frankrijk om het leven kwam. Een broer van zijn vader, eveneens Willem geheten, en later Otto, bisschop van Utrecht (ook een broer van zijn vader), werden regent.
Stadsrechten
In navolging van Brabantse steden gaf hij Delft (1246), Haarlem (1245), ’s-Gravenzande (1246) en Alkmaar (1254) stadsrechten. Alleen ’s-Gravenzande is later niet uitgegroeid tot een grote stad.
Heerser
In 1247 verpandde hij Nijmegen aan de graaf van Gelre. Nijmegen is een Gelderse stad gebleven omdat het pand nooit is ingelost. Willem nam het besluit om zijn hoeve in ’Haga’ om te bouwen tot een kasteel van waaruit hij efficiënt zijn gebieden kon besturen. Daarmee begon de functie van Den Haag als bestuurscentrum.
Omdat hij de paus in diens conflict met Frederik II van Hohenstaufen militair steunde, kroonde de aartsbisschop van Keulen hem als dank in 1248 te Aken tot rooms koning, waarmee hij kandidaat werd voor keizer van het Heilige Roomse Rijk. Rooms koning was een titel die tussen 1125 en 1508 gebruikt werd voor een gekozen koning van het Heilige Roomse Rijk. Pas in 1252 werd hij, vooral dankzij zijn huwelijk met de Welfische Elisabeth van Brunswijk, dochter van hertog Otto I van Brunswijk, door de vorsten van zijn rijk als heerser geaccepteerd.
Elisabeth van Spalbeek
Zijn secretaris en kapelaan, Willem van Ryckel († 1272), begunstigde van de Mariakerk te Aken en abt van de St-Trudoabdij in Sint-Truiden, stichtte het begijnhof St-Agnes aldaar. In 1986 werden op de pastorijzolder van de dekenij Sint-Truiden verschillende relieken van de 11.000 Heilige Maagden teruggevonden, gewikkeld in middeleeuwse stoffen. Willem was een bloedverwant van de heilige Elisabeth van Spalbeek, die de stigmata droeg.
Willem II voerde verschillende oorlogen tegen de Westfriezen. Tijdens de veldtocht tegen de Westfriezen zakte hij op 28 januari 1256 bij Hoogwoud door het ijs van het Berkmeer. De Westfriezen vonden hem in machteloze positie en doodden hem. Toen ze doorhadden dat ze de koning hadden gedood, werd Willem begraven onder de haardplaat van een boerderij in Hoogwoud. Pas in 1282 wist zijn zoon, graaf Floris V, zijn stoffelijk overschot terug te vinden, maar niet zonder slag of stoot: Hoogwoud werd geplunderd en de bevolking werd voor een groot deel uitgemoord door de Hollanders.
| graaf van Holland en Zeeland (1234-1256) en koning van het Heilige Roomse Rijk (1248-1256). |
Ze werd bijgezet in de Abdijkerk van Middelburg. In 1282 werd ook het lichaam van Willem II hier bijgezet, nadat het jarenlang in Hoogwoud begraven was geweest.
1256 - Slechts twee jaar oud volgt hij als graaf van Holland in naam zijn vader op, die is gesneuveld bij Hoogwoud. De regering wordt voorlopig gevoerd door zijn oom Floris de Voogd.
1266 - Op twaalfjarige leeftijd wordt hij meerderjarig verklaard en neemt daadwerkelijk het bestuur over.
1269 - Huwelijk met Beatrijs van Vlaanderen.
1272 - Een veldtocht tegen de West-Friezen mislukt.
1274 - Hij maakt een einde aan een opstand van de Kennemers en de boeren van Water- en Amstelland.
1275 - Hij verleent een tolprivilege aan Amsterdam. Daarmee wordt de stad voor het eerst genoemd.
1277 - Hij probeert een verbond te sluiten met Vlaanderen.
1279 - Jan van Nassau geeft hem het Nedersticht in pand.
1280 - Hij bouwt het Muiderslot.
1282 - Hij onderneemt opnieuw een tocht tegen de West-Friezen.
1283 - Hij steunt hertog Jan I van Brabant in diens strijd om het hertogdom Limburg.
1287-1288 - Hij onderwerpt West-Friesland tijdens een overstromingsramp en bouwt Kasteel Radboud
1290 - Bij Biervliet wordt hij gevangengenomen door Zeeuwse edelen.
1296 - Floris verruilt op 9 januari 1296 het Engelse voor het Franse kamp. Hij wordt later dat jaar gedood door Gijsbrecht IV van Amstel, Gerard van Velsen en Herman van Woerden. De mannen achter de schermen van de ontvoering en uiteindelijke dood van Floris zouden Gwijde van Dampierre, graaf van Vlaanderen, Jan I van Brabant en koning Eduard I van Engeland zijn.
Dynastieke voorgeschiedenis
Floris V was de zoon van graaf Willem II, die tevens rooms-koning was. Via zijn moeder was hij verwant met het Schotse koningshuis. Bij zijn politieke optreden probeerde hij gebruik te maken van deze connectie.
Floris V werd vermoedelijk in de abdij van Rijnsburg begraven. In 1996 bewezen twee Leidse wetenschappers (fysisch antropoloog G. Maat en hoogleraar chemie E. Cordfunke) echter dat de in 1949 na hun ontdekking plechtig herbegraven skeletten in de Rijnsburgse abdij bijna 400 jaar ouder zijn.
In de Grote of Sint-Laurenskerk in Alkmaar staat een kist met daarbij een plaquette uit de 17e eeuw waarop staat dat de kist de ingewanden bevat van Floris V en dat hij in deze kerk begraven is vóór het hoofdaltaar onder een "wittige steen".
Nalatenschap
De politiek van Floris stond grotendeels in het teken van het vergroten van zijn macht en van zijn dynastieke ambities. Van dat laatste is niet veel terechtgekomen. Bij zijn dood liet hij een minderjarige zoon achter, Jan I van Holland. Deze stierf echter al op 15-jarige leeftijd. Met diens dood kwam een einde aan het Hollandse Huis. Voorts had hij alleen onechte kinderen: Witte van Haemstede en Catharina. De graventitel ging naar de graaf van Henegouwen, waardoor Holland voortaan geregeerd werd door Henegouwse heren van het Huis van Avesnes.
Volgens de historiografie was Floris zeer populair bij het volk, waaraan zij zijn bijnaam ’der keerlen god’ dankte. Aan hem wordt, ondanks zijn strijd tegen de Friezen, een relatief vreedzaam regime toegeschreven, naast modernisering van het bestuur, bevordering van de handel, behartiging van de belangen van de boeren ten koste van de adel, en inpoldering van Hollandse wateren.
Floris’ populariteit bij de boeren komt waarschijnlijk voort uit zijn streven andere lokale machthebbers dwars te zitten. Het leven van Floris V is gedetailleerd beschreven door zijn tijdgenoot en biograaf Melis Stoke in zijn Hollandse Rijmkroniek. Dit is de belangrijkste informatiebron over Floris, maar geen geschiedschrijving in de moderne zin des woords. Waarschijnlijk moet de Rijmkroniek als hagiografie opgevat worden, waarin Floris beter naar voren komt dan hij in werkelijkheid was.
Floris V is meermalen stof geweest voor literaire werken en andere cultuuruitingen. Zijn gewelddadige dood werd door Pieter Corneliszoon Hooft (Geeraerdt van Velsen) en Joost van den Vondel (Gijsbrecht van Aemstel) in toneelstukken gedramatiseerd. Opvallend is dat Floris in Geeraerdt eerder een schurk dan een held is. Volgens sommige bronnen zou Floris de dochter van Van Velsen hebben verkracht. De werkelijke oorzaak van het drama zal zijn gang naar Parijs zijn geweest toen hij zich begin januari 1296, met de Franse koning verbond tegen zijn vijanden. In twintigste-eeuwse werken krijgt Floris V wel de heldenrol die hem ook vandaag nog vaak wordt toebedeeld.
Binnenhof
De vader van Floris was begonnen met de bouw van het Binnenhof als paleis bij zijn status als Rooms-Koning, en potentiële keizer. Het Binnenhof is door Floris afgebouwd om zijn dynastieke ambities gestalte te geven. Dit gebouw moest het centrum worden van zijn macht, en er zijn dan ook vele verwijzingen te vinden naar die ambities. Deze verwijzingen bestaan uit symbolen die zijn koninklijke status moesten benadrukken. Ook het kasteel Radboud in Medemblik is in opdracht van Floris V gebouwd.
Op tweejarige leeftijd werd hij graaf van Holland en Zeeland. Zijn vader was een half jaar daarvoor vermoord. Zijn oom Nicolaas van Cats was voogd over hem gedurende zijn minderjarigheid. Op twaalfjarige leeftijd, in 1266, werd de jonge Floris officieel meerderjarig verklaard, en op 14-jarige leeftijd trad hij in het huwelijk met Beatrijs van Vlaanderen (van Dampierre).
Politiek
Floris had grote ambities en streefde er voortdurend naar zijn macht te vergroten. Zijn eerste wapenfeit was het neerslaan van de Opstand der Kennemers. Vervolgens wilde hij wraak nemen op de Friezen omdat zijn vader tijdens een veldtocht tegen de Friezen door hen was gedood. Toen hij in 1282 de Friezen in West-Friesland had verslagen, liet hij zich ’Heer van Friesland’ noemen. Zijn pogingen ook het andere gedeelte van Friesland (gebieden in de huidige provincie Friesland) in te nemen liepen echter op niets uit. Een eerste invasie mislukte door het slechte weer en aan zijn tweede veldtocht hield hij uiteindelijk alleen een bruggenhoofd in Friesland over.
Schotse troon
Na de dood van de Schotse koning Alexander III van Schotland in 1286 wierp Floris zich op als Schots troonpretendent. De (over)grootmoeder van Floris was Ada van Schotland, dochter van de voortijdig overleden kroonprins Hendrik van Schotland. Floris was echter niet de enige; in totaal waren er dertien pretendenten. Ondank zijn zwakke familieband met Alexander III ging Floris toch naar de vergadering, in Norham op de 10e van de bloeimaand. Hij werd als eerste in de gelegenheid gesteld om zijn recht op de troon te verdedigen. Koning Eduard I van Engeland bleek daarbij geen bondgenoot, maar een rivaal te zijn die erin slaagde, weliswaar gedeeltelijk en tijdelijk, om Schotland onder Engelse invloed te brengen.
Een andere manier om zijn ambities gestalte te geven blijkt uit zijn streven om Zeeland-Bewester-Schelde bij zijn grondgebied in te lijven. Dit doel probeerde hij op verschillende manieren te bereiken. Eerst trachtte hij dit met steun van koning Eduard I van Engeland, later met de hulp van de Fransen. Uiteindelijk wist hij het aanzien van Holland enorm te vergroten. Een groot deel van de huidige buitengrenzen van Noord- en Zuid-Holland samen is toen vastgesteld.
Complot
Het ging fout toen Floris zijn Engelse bondgenoot Eduard I in 1296 wegens een conflict over de wolhandel aan de kant zette ten gunste van de Franse bondgenoot. Het verhaal gaat dat de Engelse koning enkele ontevreden edelen zou hebben gevraagd hem gevangen te nemen. Tijdens een valkenjacht werd Floris gevangengenomen door Gijsbrecht van Amstel, Herman VI van Woerden, Willem van Zaanden en Gerard van Velsen. Het nieuws van zijn gevangenneming lekte echter snel uit en onder het volk, waar Floris erg populair was, ontwikkelde zich het plan hem te bevrijden. Toen de edelen met hun gevangene op 27 juni 1296 het Muiderslot verlieten met van Velsen en enkele schildknapen voorop als verkenners, kwamen ze bij Muiderberg een groep Gooilanders uit Naarden tegen welke Floris in levende lijve kwamen opeisen. Hierop reed Gerard van Velsen terug, trok zijn zwaard en doodde graaf Floris. Floris was weerloos doordat in zijn mond een handschoen was gepropt, zijn handen en voeten vastgebonden en zijn vingers gekloofd of gespleten waren. Toen van Velsen zijn zwaard trok, steigerde het paard van schrik, waardoor Floris door de eerste zwaardslag zijn beide handen verloor en zijdelings van het paard viel, waarop van Velsen naar Floris liep en op hem bleef insteken, gevolgd door de anderen. Vervolgens namen de ontvoerders de vlucht. Floris werd naar het buitenverblijf Florisberg te Muiderberg gebracht, waar hij bezweek aan de toegebrachte 22 steekwonden.
Gerard van Velsen werd later gepakt, gemarteld en ter dood gebracht. Gijsbrecht van Amstel (de vierde met die naam uit het bekende geslacht van de Heren van Amstel) en Herman van Woerden sleten de rest hun leven als ballingen en verloren al hun bezittingen.
| graaf van Holland en Zeeland en vanaf 1291 liet hij zich ’heer van Friesland’ noemen, ofschoon hij alleen in West-Friesland feitelijke macht uitoefende. |
Haar ouders kwamen uit aanzienlijke en machtige families. Haar moeder was de dochter van de hertog van Saksen uit het geslacht Billungen. Haar vader was graaf van Holland en zijn heerschappij strekte zich uit "ten westen van het Vlie en rond de oevers van de Rijn". In dit vaag omschreven gebied zal Bertha haar jeugd hebben doorgebracht.
Door het tweede huwelijk van haar moeder met Robrecht, jongste zoon van graaf Boudewijn V van Vlaanderen, die door dat huwelijk als bijnaam 'de Fries' kreeg, werd deze haar stiefvader en tevens haar voogd. Hij had nu de zeggenschap over Bertha.
Na overlijden van Robrechts broer, Boudewijn VI, die graaf van Vlaanderen en Henegouwen was geweest, greep Robrecht zijn kans op de erfopvolging en begon een veldslag waar hij de wettige opvolger Arnulf III versloeg. Hiermee schoffeerde hij de Franse vorst Filips I, die Arnulf in dit conflict had gesteund. Robrecht had zich door de oorlog weliswaar het graafschap van Vlaanderen toegeëigend, maar moest zich verzoenen met Filips om erkenning als graaf te krijgen. Een goede manier was het sluiten van een huwelijk, Bertha kwam daarvoor in aanmerking. Algemeen wordt aangenomen dat het huwelijk deel uitmaakte van de vredesregeling tussen Robrecht en Filips. In 1072 werd Bertha Filips’ vrouw en daarmee koningin van Frankrijk.
Filips had de heerschappij over een reeks gebieden tussen Parijs en Orléans, aan zijn hof bracht Bertha vervolgens 20 jaar door. Over het leven van Bertha als koningin is weinig bekend. Uit een verhaal over haar kortdaad optreden in een abdij, waar Filips een abt aangesteld wilde hebben die naar zijn pijpen danste, is af te leiden dat ze in de binnenlandse politiek een niet onaanzienlijke rol kan hebben gespeeld.
In 1092 werd ze door Filips verstoten die om machtspolitieke redenen zijn zinnen had gezet op Bertrada van Montfort. Zijn huwelijk met Bertha had de familie maar één zoon opgeleverd, een zwakke basis voor het voortbestaan van de monarchie. Het verstoten van echtgenotes ter wille van een andere vrouw die voor nageslacht kon zorgen of vergroting van het machtsgebied, was heel gebruikelijk.
Bertha vestigde zich in 1092 in het graafschap Ponthieu, in het kasteel Montreuil-sur-Mer, dat ze bij haar huwelijk van Filips als bruidsgift gekregen had. Kort daarna, in 1094, is ze daar gestorven en begraven.
Net zoals zijn vader, besteedde Filips een groot deel van zijn tijd aan het onderdrukken van opstanden van zijn op macht beluste vazallen. Tijdens de Slag bij Kassel in 1071 stond hij aan de kant van zijn leenman Arnulf III van Vlaanderen tegen Robrecht de Fries. Het eindigde in een nederlaag. In 1077 sloot hij vrede met Willem de Veroveraar, die zijn pogingen om Bretagne te veroveren staakte.
Met de annexatie van Vexin in 1082 breidde Filips zijn rijk uit, en in 1100 kwam Bourges onder zijn bestuur.
Onder het bewind van Filips werd de Eerste Kruistocht in 1096 ondernomen, waaraan hij aanvankelijk niet wenste deel te nemen vanwege zijn conflict met de paus. Paus Urbanus II zou het hem niet toegestaan hebben, omdat hij de excommunicatie van Filips nogmaals bevestigde voordat hij opriep tot de kruistocht. De broer van Filip, Hugo van Vermandois, was echter een belangrijke deelnemer.
Koning Filips I overleed in zijn kasteel in Melun op 29 juli 1108 en werd begraven bij het klooster van Saint-Benoît-sur-Loire.
Hij werd opgevolgd door zijn zoon Lodewijk VI de Dikke.
| koning van Frankrijk van 4 augustus 1060 tot 1108 |
Haar kleindochter Constance I van Antiochië werd naar haar vernoemd.
Ondanks de pogingen van zijn stiefmoeder om haar zoons koning te laten worden, werd Lodewijk in 1100 door zijn vader als erfgenaam aangewezen. In dat jaar maakte hij een reis naar Londen. Een poging van Bertrada om hem daar gevangen te laten nemen mislukte. Op de terugweg werd een aanslag op Lodewijk door een geestelijke verijdeld. In 1101 werd Lodewijk benoemd tot graaf van Vermandois. Zijn vader was toen al zo verzwakt dat Lodewijk in feite al als koning regeerde. Hij werd in 1101 vergiftigd maar werd genezen door een joodse arts.
In 1104 verzoende Lodewijk zich met Bertrada en hij verloofde zich met Lucienne de Rochefort, een verwante van Bertrada. In 1107 verbrak Lodewijk de verloving, met een te nauwe bloedverwantschap als excuus. In 1106 accepteerde Lodewijk dat Hendrik I van Engeland Normandië veroverde, waardoor Engeland en Normandië weer een verenigd rijk werden.
Koning
Filips overleed op 29 juli 1108. Lodewijk was formeel zijn erfgenaam maar zijn positie werd bedreigd door zijn stiefbroers.
Kroning
Lodewijk werd op 3 augustus 1108 in grote haast te Orléans tot koning gekroond. De kroning kon niet in Reims (de gebruikelijke plaats voor de kroning van Franse koningen) plaatsvinden omdat die stad door een conflict over de bisschopsfunctie onder een interdict viel. Bovendien werd de stad gecontroleerd door Lodewijks halfbroer Filips en diens bondgenoot Theobald IV van Blois. Er waren nauwelijks grote vazallen of kerkvorsten aanwezig bij de kroning.
De geldigheid van de kroning werd tevergeefs aangevochten door zijn halfbroers. Betrada besloot daarna om zich terug te trekken in een klooster. Guy van Rochefort kwam echter in opstand. Lodewijk veroverde zijn kasteel in Gournay-sur-Marne. Guy stierf en zijn partij werd nu aangevoerd door Hugo van Crécy, die zich weer verbond met Hugo van le Puiset. Omdat Hugo van le Puiset de fout maakte om de gebieden rond Chartres te plunderen, koos Theobald van Blois de kant van Lodewijk. Met de steun van Theobald kon Lodewijk zich handhaven, maar het gebied dat hij daadwerkelijk onder controle had was niet groter dan de regio rond Parijs, Orléans en Senlis. De rest van Frankrijk werd geregeerd door edelen die feitelijk onafhankelijk waren.
Binnenlandse strijd
Lodewijk was bijna 30 jaar koning en al die tijd was hij verwikkeld in conflicten met Normandië (en dus ook met Engeland) en lokale opstandige edelen en roofridders binnen zijn eigen domeinen. Vlaanderen en Vermandois waren meestal zijn bondgenoot, Blois en Anjou wisselden regelmatig van kant.
In 1109 veroverde Lodewijk La Roche-Guyon, op de grens van Normandië. Zijn poging om in 1110 het sterke Normandische kasteel van Gisors te veroveren, liep echter uit op een nederlaag. Dit leidde tot enkele jaren van schermutselingen.
Lodewijk veroverde het jaar daarop (1111) samen met Theobald IV van Blois Le Puiset en nam Hugo gevangen. Lodewijk bouwde in de omgeving een eigen kasteel, Toury. De Normandische edelman Robert I van Meulan brandschatte Parijs als vergelding voor plunderingen van zijn bezittingen door koninklijke troepen.
Toen in 1112 de graaf van Corbeil zonder directe erfgenaam overleed, verklaarde de koning dat het graafschap terug toeviel aan de kroon. Theobald van Blois maakte echter ook een aanspraak op het graafschap en koos nu de kant van de opstandelingen. Lodewijk liet in reactie hierop Hugo van le Puiset vrij, met de afspraak dat die zich tegen Theobald zou keren. Ondanks zijn beloften sloot deze zich direct bij de opstandelingen aan, waarop Lodewijk een bondgenootschap met Robrecht II van Jeruzalem sloot. Hugo van le Puiset veroverde het kasteel van Toury maar Lodewijk wist het weer te heroveren. Lodewijk en Rudolf I van Vermandois versloegen in een veldslag Hugo van le Puiset, Hugo van Crecy, Theobald van Blois en anderen. Later dat jaar versloeg en doodde Theobald van Blois Robrecht van Vlaanderen in een veldslag bij Meaux.
In 1113 sloot hij het eerste verdrag van Gisors met Hendrik I van Engeland. Lodewijk moest hierbij grote concessies doen. Ondertussen bleef Lodewijk evenwel de Normandische tegenstanders van Hendrik steunen. Ook sloot Lodewijk een bondgenootschap met Anjou.
Lodewijk wist het jaar daarop (1114) ten slotte Hugo van Crecy en zijn familie te onderwerpen. Hugo werd monnik en zijn familiebezit werd door Lodewijk verdeeld: Bray-sur-Seine werd aan Theobald van Blois gegeven. Zelf hield hij Montlhéry, Gometz en Châteaufort. Lodewijk stuurde troepen naar Amiens ter ondersteuning van de bisschop tegen Thomas I van Coucy. Toen Thomas ook nog de moordenaars van de bisschop van Laon onderdak bood, liet Lodewijk hem excommuniceren.
Lodewijk wist in 1115 Thomas te verslaan, maar kreeg tijdens de strijd een pijl in zijn borst.
Na de onderwerping van Thomas en het overlijden van diens vader in 1116, gaf Lodewijk het graafschap Amiens aan Adelheid van Vermandois. Dit zou tot een langdurige vete tussen Thomas en de familie van Vermandois leiden.
Lodewijk onderwierp in 1118 Hugo van le Puiset definitief en dwong hem om naar Palestina in ballingschap te gaan. Lodewijk steunde een opstand van Normandische edelen onder leiding van Willem Clito tegen Hendrik I van Engeland. Willem was een neef van Hendrik en eiste de titel van hertog van Normandië op, omdat Hendrik die titel in 1106 op zijn vader had veroverd. Lodewijk kon echter geen leger sturen door het verzet van Theobald van Blois, die Hendrik steunde. Hendrik wist de opstand grotendeels te onderdrukken.
Nadat hij in 1119 Theobald had onderworpen en trok hij met zijn leger naar Normandië. Hij veroverde Ivry, maar werd verslagen bij Breteuil. Boudewijn VII van Vlaanderen werd door Hendrik verslagen en gedood. Een nieuwe inval van Lodewijk in Normandië mislukte en hij kon alleen door te vluchten aan gevangenneming ontsnappen. Fulco V van Anjou koos de kant van Hendrik en Lodewijk moest de strijd opgeven.
Lodewijk intervenieerde in 1122 tegen de lokale graaf in Auvergne ten gunste van de bisschop. Het volgende jaar (1123) mislukte een nieuwe poging om Willem Clito aan de macht te brengen in Normandië.
In 1126 kwam het opnieuw tot een interventie in Auvergne, waarop de graaf steun vroeg aan de hertog van Aquitanië, die er juist voor koos om nu de koning te huldigen.
Lodewijk bestrafte in 1127 de moord op Karel de Goede door de betrokkenen van een toren in Brugge te laten werpen. Omdat Karel geen erfgenamen had, wees Lodewijk nu Willem Clito aan als graaf van Vlaanderen, maar die kreeg algauw met veel verzet te maken. Uiteindelijk werd Diederik van de Elzas als nieuwe graaf van Vlaanderen aangesteld. Tijdens Lodewijks afwezigheid kwam het tot een conflict tussen de koningin en de machtige kanselier Stephanus van Garlande, die steeds meer macht voor zichzelf en zijn familie trachtte te verwerven. Adelheid liet daarom de huizen van Stephanus en zijn partijgangers in Parijs verwoesten.
Het volgende jaar (1128) kreeg Stephanus steun van Theobald van Blois en Hendrik I van Engeland. Na een beleg van twee maanden veroverde Lodewijk samen met Roeland van Vermandois zijn kasteel bij Livry. Lodewijk werd evenwel door een pijl van een kruisboog in het been getroffen en Roeland verloor een oog, maar de macht van Stephanus was gebroken. Hij verzoende zich met Lodewijk en zou zelfs nog een keer kanselier worden.
In 1129 wees Lodewijk zijn oudste zoon, Filips, die zijn oogappel was, aan als opvolger en liet hem op 14 april tot medekoning benoemen. Het jaar daarop (1130) versloegen en doodden Lodewijk en Roeland van Vermandois Thomas van Marle, nadat die eerder Vermandois had aangevallen en een jongere broer van Roeland had gedood. Filips, Lodewijks medekoning en kroonprins, stierf op 13 oktober 1131 door een ongelukkige val van zijn paard. Lodewijk wees nu zijn zoon Lodewijk, die tot dan toe in de abdij van Saint-Denis was opgevoed, aan als opvolger, die door paus Innocentius II in Reims tot medekoning werd gezalfd en gekroond. In 1132 huldigde de graaf van Vlaanderen, Diederik van de Elzas, Lodewijk als zijn heer.
Lodewijk trok in 1137, tegen het advies van zijn adviseurs, die van mening zijn dat hij door zijn zwaarlijvigheid (zijn bijnaam is letterlijk bedoeld en werd al tijdens zijn leven gebruikt) en chronische buikklachten niet tot deze onderneming in staat was, op tegen de roofridders van Saint-Brisson-sur-Loire. Lodewijk werd getroffen door dysenterie en overleed.
Buitenlandse politiek
Lodewijk trouwde op 28 maart 1115 met Adelheid van Maurienne, wat aangaf dat zijn ambities tot in het zuiden van Frankrijk reikten. In 1119 steunde hij de verkiezing van paus Calixtus II en kwam daarmee in conflict met keizer Hendrik V. In 1124 trok Hendrik V met een leger naar Frankrijk. Het lukte Lodewijk met de steun van Theobald van Blois en de hertog van Aquitanië om een groot leger op de been te brengen. De legers ontmoetten elkaar bij Metz en vanwege de onverwachte sterkte van het Franse leger besloot Hendrik om van strijd af te zien en zich terug te trekken.
Bestuur
Lodewijk werd door alle tijdgenoten beschreven als een vriendelijke en vrolijke man. Hij was ook een krachtdadige koning en van groot belang voor de vestiging van de koninklijke macht in Frankrijk. Onder zijn bewind bloeiden de economie en de steden in de gebieden die onder zijn bewind stonden. Vanaf 1110 gaf hij steden stadsrechten. Bij zijn dood was Parijs de grootste stad van Frankrijk. Lodewijk stichtte daar de abdij van Saint-Victor, de priorij van Saint-Lazare en een vrouwenklooster op de Montmartre. Hij stelde een jaarmarkt in te Parijs en liet de oude Romeinse brug door een nieuwe stenen brug vervangen. Lodewijk rekruteerde zijn dienaren uit de lage adel en geestelijkheid om zo de macht van de grote adellijke families in te perken. Hij dwong zijn directe vazallen om zijn wetten te hanteren en geen eigen wetten te maken. Lodewijk stelde een koninklijke raad in.
In 1137 werd hij door de stervende hertog van Aquitanië belast met de taak om een goede echtgenoot voor zijn erfdochter Eleonora van Aquitanië te vinden. Lodewijk liet deze kans om de positie van de Franse kroon te versterken niet voorbijgaan en verloofde haar direct met zijn zoon en kroonprins Lodewijk VII van Frankrijk.
| koning van Frankrijk van 29 juli 1108 tot 1137. |
Na de dood van Lodewijk VI in 1137, hertrouwde zij met constable Mattheus I van Montmorency, waarbij zij nog een dochter kreeg. In 1153 trok zij zich terug in de abdij van Montmartre, die zij samen met haar zoon Lodewijk gesticht had. Zij stierf er het jaar nadien.
Robert was gehuwd met :
Agnes (1122-1143), dochter van Anseau van Garlande, graaf van Rochefort,
Harvise van Evreux (1118-1152), dochter van Walter van Evreux, graaf van Salisbury,
Agnes (1130-1218), dochter van Guy van Baudemont, graaf van Braine,
en werd vader van:
Simon (1141-), heer van La Noue
Adelheid (1145-), in 1156 gehuwd met Walram III, graaf van Breteuil, in 1161 met Guy II van Châtillon, en met Jan I van Thorotte (-1176) en met Raoul I van Nesle, graaf van Soissons (-1235)
Robert II (1154-1218)
Hendrik (1155-1199), bisschop van Orléans
Adelheid (1156-), in 1174 gehuwd met Rudolf I van Coucy (1135-1191)
Filips (1158-1217), bisschop van Beauvais en aartsbisschop van Reims
Isabella (1160-1239), in 1178 gehuwd met Hugo III van Broyes (-1199)
Peter (1161-1186), heer van Bouconville-Vauclair en partie
Willem (1163-), heer van Braye-en-Laonnois, Torcy-en-Valois en Chilly
Jan (1164-)
Mamilia (1166-1200), non in Charme
Margaretha (1167-), non in Charme.
In 1154 huwt zij met Raymond V van Toulouse († 1194), met wie zij vier kinderen heeft :
Albrecht (-1183), dauphin van Vienne, gehuwd met Beatrix van Vienne (-1228)
Adelheid, gehuwd met burggraaf Roger II van Béziers en Carcassonne (-1194)
Boudewijn (1165-1212)
Raymond VI (1156-1222).
Zij scheidden in 1165. Constance neemt in dat jaar ook deel aan het colloqium van Lombers, nabij Albi om de ketters te overtuigen; sindsdien noemt men hen Albigenzen.
Volgens de legende vluchtte Constance na haar scheiding naar Burlats. Haar dochter Adelheid hield er een liefdeshof, dat bekend werd onder meer door de troubadour Arnaud de Marueil, uit Périgord .
Peter II van Courtenay (1155-1219), die Latijns keizer van Constantinopel werd,
een dochter, gehuwd met Odo van la Marche,
Alice van Courtenay (1160-1218), gehuwd met Willem van Joigny en met Aymar Taillefer, graaf van Angoulême,
Eustachia (1164-1235), gehuwd met Willem van Brienne, heer van Ramerupt, zoon van Everhard II van Brienne, met Willem van Champlitte, vorst van Achaea, en met Willem I van Sancerre.
Clementia, gehuwd met Gwijde VI van Thiers.
Robert (1168-1239), heer van Champignelles-en-Puisaye,
Filips
Constance, gehuwd met Gasce van Poissy en met Willem van Breteuil.
Lodewijk trouwde op 22 juli 1137 met Eleonora van Aquitanië (1122 - 31 maart 1204). Hun huwelijk werd ontbonden in 1152, maar ze hadden twee dochters:
Maria (1145 - 11 maart 1198), gehuwd met Hendrik I van Champagne
Alix (1150 - 1197/1198)
In 1154 trouwde Lodewijk VII met Constance van Castilië (1140 - 4 oktober 1160). Hun kinderen waren:
Marguerite
Alys.
Lodewijk trouwde opnieuw op 13 november 1160 met Adelheid van Champagne (1140 - 4 juni 1206), dochter van Theobald IV van Blois. Hun kinderen waren:
Filips II (21 augustus 1165 - 14 juli 1223)
Agnes (c. 1171 - april 1240)
Lodewijk werd pas troonopvolger na de onfortuinlijke dood van zijn broer Filips, in 1131. Lodewijk was echter beter geschikt om monnik dan koning te worden.
Lodewijks regeerperiode werd gekenmerkt door opstanden in Orléans en Poitiers, die onafhankelijk wilden worden. Een conflict met paus Innocentius II ontstond echter, wanneer Lodewijk in plaats van de paus zelf de nieuwe aartsbisschop van Bourges aanstelde.
Lodewijk begon ook een oorlog met Theobald II van Champagne over een huwelijksdispuut. Champagne koos ook de kant van de paus in het geschil over Bourges. De oorlog duurde twee jaar (1142-1144), en eindigde met de bezetting van Champagne. Toen in Vitry-en-Perthois meer dan duizend mensen omkwamen in een door Lodewijks troepen aangestoken brand, kondigde Lodewijk op Kerstdag 1145 in Bourges aan dat hij op kruistocht ging om vergiffenis te vragen. De kruistocht werd echter een ramp, en Lodewijk keerde in 1149, twee jaar na het begin, terug.
Zijn regeerperiode was gekenmerkt door moeilijkheden en ongeluk en Lodewijk had maar weinig macht. De situatie begon echter te keren wanneer verbindingen met verre vazallen mogelijk werden. Lodewijks grootse verrichtingen waren echter op vlak van landbouw, handel, bevolking, het bouwen van verschillende forten, en een kleine intellectuele renaissance. Lodewijk staat ook bekend om het redden van zijn dynastie.
Hij werd opgevolgd door zijn zoon Filips II van Frankrijk, die gekroond werd in 1179 in Reims. Lodewijk was op dat moment al grotendeels verlamd en kon de ceremonie niet bijwonen.
Lodewijk VII stierf op 18 september 1180 in een abdij bij Saint-Pont, Allier. Hij werd begraven in de Saint-Denisbasiliek.
| koning van Frankrijk van 1137 tot 1180 |
Jeugd
In de periode waarin Eleonora opgroeide, kwam aan het Aquitaanse hof de hoofse cultuur tot ontplooiing. Haar grootvader Willem IX van Aquitanië staat, dankzij de poëzie die hij aan zijn buitenechtelijke avontuurtjes wijdde, te boek als de eerste troubadour van Europa en als we zijn latere collega’s mogen geloven, was de jonge Eleonora zo ongeveer de intelligentste en mooiste vrouw van het middeleeuwse Europa. Na het plotselinge overlijden van haar vader mocht Eleonora zich bovendien hertogin van Aquitanië noemen. Het mag dan ook geen wonder heten dat de Franse koning Lodewijk VI, aan wiens zorg ze na haar vaders dood werd toevertrouwd, een huwelijk voor haar arrangeerde met zijn eigen zoon, de latere koning Lodewijk VII.
Koningin van Frankrijk
Enige dagen na het huwelijk stierf Lodewijk VI. De zestienjarige Eleonora was nu zowel hertogin van Aquitanië als koningin van Frankrijk. Ze wierp zich vol geestdrift op beide taken wat door sommige vazallen met bewondering, door anderen met ergernis werd ontvangen. Haar echtgenoot stond ondertussen bekend als een zeer vrome, timide man die zich voor staatsaangelegenheden graag op zijn vrouw verliet.
Kruistocht
Na een miskraam raakte Eleonora onder invloed van de vooraanstaande geestelijke Bernard van Clairvaux, die haar uitlegde dat haar losbandige levensstijl er de oorzaak van was dat ze geen gezond kind ter wereld kon brengen. Dit inzicht scheen Eleonora’s religieuze belangstelling aan te wakkeren. De geboorte van haar eerste kind kan ze als een goddelijke bevestiging hebben opgevat. Toen haar echtgenoot aankondigde aan de Tweede Kruistocht te zullen deelnemen, besloot Eleonora hem te vergezellen. Na een legendarische entree in amazonedracht op een wit paard, bood ze in de Basiliek van Vézelay haar diensten aan aan Bernard van Clairvaux, de grootste voorvechter van de kruistochten. Ook 300 andere Aquitaanse dames waren volgens Eleonora bereid om zich in het Heilige Land met het verzorgen van gewonden bezig te houden. Het plan werd pas met enthousiasme ontvangen toen bleek dat ze bovendien 1000 gewapende Aquitaanse strijders in de aanbieding had. In 1147 werd met de Tweede Kruistocht begonnen.
De aanwezigheid van een regiment van 300 vrouwen tijdens de Tweede Kruistocht leverde onder tijdgenoten vooral veel hoongelach en pikante minstreelpoëzie op. In die poëzie werd veelvuldig gesuggereerd dat Eleonora tijdens haar verblijf in het Heilige Land de intieme banden met haar charmante oom Raymond van Poitiers tot voorbij de grenzen van het betamelijke had aangehaald. Ze steunde hem bovendien in zijn plan om Edessa aan te vallen, terwijl haar echtgenoot Lodewijk beslist Jeruzalem wilde bereiken om daarna Damascus te belegeren. Op het hoogtepunt van dit meningsverschil kondigde Eleonora aan dat haar huwelijk met Lodewijk onwettig was wegens te nauwe bloedbanden - destijds een populaire manier om een huwelijk te laten ontbinden. De inmiddels wat assertievere Lodewijk dwong op onhoofse wijze haar huwelijkstrouw af. De echtelieden keerden, op gescheiden schepen, naar huis terug.
Koningin van Engeland
In 1152 werd het huwelijk tussen Lodewijk en Eleonora ontbonden. Nog geen 2 maanden later was ze getrouwd met de tien jaar jongere Hendrik II van Engeland. In de periode tot 1166 kreeg ze niet minder dan tien kinderen.
In 1173 bleek het huwelijk tussen Eleonora en Hendrik weliswaar kinderrijk maar op persoonlijk vlak weinig succesvol: ze haalde haar drie zoons ertoe over om tegen hun vader in opstand te komen. Toen die opstand door Hendrik was neergeslagen zette hij Eleonora gevangen. Ze speelde pas weer een rol van betekenis nadat Hendrik in 1189 overleed en werd opgevolgd door hun beider zoon Richard Leeuwenhart. Net als bij Lodewijk VII het geval was geweest, ontpopte Eleonora zich als een steun en toeverlaat voor de koning. Tijdens diens kruisvaart nam ze zijn positie waar, waarvoor ze zelfs haar zoon Jan moest bevechten. Toen Richard op weg naar huis gevangen werd genomen was het Eleonora die zorgde dat hij vrijkwam, door het betalen van een borgsom van 100 Pond.
Tot aan haar laatste levensdagen speelde Eleonora een actieve rol in de Europese politiek. Ze reisde veel, speelde voor huwelijksmakelaar en hield zich intensief bezig met het landsbestuur. Na Richards dood werd ze de adviseur van diens opvolger, haar zoon Jan.
Af en toe trok ze zich voor haar rust terug in de abdij van Fontevraud. Daar stierf ze op 82-jarige leeftijd een natuurlijke dood.
Scholastica (-1229), gehuwd met graaf Willem IV van Macon (-1224)
Maria (1174-1204), gehuwd met graaf Boudewijn IX van Vlaanderen (1171-1205)
Theobald III van Champagne (1174-1201)
Hendrik (1166-1197).
Na het overlijden van haar echtgenoot nam zij tot 1187 het regentschap waar voor haar oudste zoon Hendrik II. Toen deze in 1190 naar het Heilig Land vertrok, nam Maria opnieuw het regentschap waar, terwijl Hendrik II huwde met de koningin van Jeruzalem en koning van Jeruzalem werd. Bij diens dood in 1197 liet zij het bestuur over aan haar tweede zoon Theobald III en trok zich terug in een klooster, waar zij het jaar nadien overleed.
Pontia van Beaujeu
Scholastica, dochter van Hendrik I van Champagne,
en was de vader van:
Gerald II, die nog vóór hem stierf,
Willem, deken van Saint-Étienne in Besançon,
Hendrik,heer van Montmorel,
Beatrix, gehuwd met Willem van Antigni, heer van Pagni.
In 1234 volgde hij zijn oom Sancho VI van Navarra op als koning van Navarra als Theobald I en nam hij meer en meer afstand van Champagne. Theobald was tevens een gekend en één van de meest geprezen troubadours van zijn tijd. Hij werd in de daaropvolgende eeuw door Dante als een voorloper omschreven (De Vulgari Eloquentia).
In 1238 ging hij op kruistocht. Hij landde in 1239 in Akko en hield een verkenningstocht naar Gaza, waar hij echter door de Ajjoebiden verslagen werd. Daarna legde hij zich voornamelijk vrij succesvol toe op diplomatie. Toen echter Richard van Cornwall aankwam in het Heilige Land was hij het eeuwige gekibbel over de leiding van de kruisvaart zat en ging hij naar huis.
Margaretha was gehuwd met:
Hugo van Oisy
Otto I van Bourgondië (-1200), graaf van Bourgondië en Luxemburg
Wouter II van Avesnes (1170-1246),
en werd moeder van:
Johanna (1192-)
Beatrix (1193-1231), gehuwd met Otto II van Bourgondië (-1234)
Maria (-1241)
Isabella, gehuwd met Jan van Oisy en Montreuil
Theobald.
| Hij werd graaf van Blois en Châteaudun in opvolging van zijn vader in 1191 |
Mathildis, dochter van Robert I van Alençon,
Clemencia van Roche,
maar hij stierf jong, zonder een mannelijke erfgenaam na te laten. Zijn weduwe hertrouwde met Godfried VI van Châteaudun.
Van bij de aanvang van zijn bewind voerde hij een politiek van territoriale expansie. Om die te bekostigen, vulde hij de koninklijke schatkist met de geconfisqueerde bezittingen van kapitaalkrachtige Joden. Toen deze strategie tot eerste resultaten had geleid, stelde hij zich tot doel de macht te breken van de Engelse koning, die tot zijn ergernis bijna geheel Zuidwest-Frankrijk van hem in leen hield. Zijn positie als leenheer trachtte hij wel uit te buiten door de familieruzies binnen het Engelse koningshuis Plantagenet verder aan te wakkeren en de jonge prinsen tegen elkaar op te zetten.
In 1190 vertrokken Filips II, de jonge Engelse koning Richard Leeuwenhart en de Duitse keizer Frederik Barbarossa broederlijk samen voor de Derde Kruistocht, waaraan Filips zelf slechts kortstondig deelnam. De vorsten kregen het met elkaar aan de stok en gingen elk hun eigen weg. Filips keerde onverwijld naar Frankrijk terug en spande samen met Richards broer, prins Jan. Richard Leeuwenhart zelf werd tijdens zijn terugkeer uit het oosten in Oostenrijk gevangengezet werd. Met behulp van prins Jan wist Filips intussen (tijdelijk) Normandië in te palmen (1192-1193).
Na Richards terugkeer in Engeland (maart 1194) keerden de krijgskansen echter voor Filips II, die een reeks nederlagen leed. Een groot deel van Artesië moest hij weer aan de graaf van Vlaanderen afstaan. Ook met Rome kwam de koning in conflict, omdat hij in 1193 zijn tweede vrouw Ingeborg van Denemarken verstoten had om in 1196 te hertrouwen met Agnes van Merano. Ondanks pauselijke dreiging met excommunicatie, weigerde de koning aanvankelijk zijn nieuwe echtgenote te verlaten, maar gaf uiteindelijk toch toe. Agnes stierf in haar kasteel van Poissy (1201).
Toen de Engelse troon in 1199 vacant werd, steunde Filips de aanspraken van Arthur van Bretagne, neef van de nieuwe koning Jan zonder Land. Toen deze laatste het vertikte om aan het Franse hof leenhulde te komen brengen, confisqueerde Filips als vergelding alle Engelse leenbezittingen op het continent (1202). Hij annexeerde ook Normandië (1204), Anjou, Maine, Touraine (1205) en Poitou (1208), tot uiteindelijk slechts de zuidelijke Poitou en Guyenne in Engelse handen bleven.
Huwelijken en kinderen
In 1180 huwde hij Isabella van Henegouwen († 1190).
Lodewijk VIII
In 1193, na het overlijden van Isabella, huwde hij met Ingeborg van Denemarken, die hij kort nadien verstootte.
In 1194 huwde hij met Agnes van Meranië, maar dit huwelijk werd niet erkend door de paus en Filips erkende in 1213 opnieuw Ingeborg als koningin.
Maria (1198-1224), in 1206 gehuwd met Filips I van Namen (1175-1212) en in 1213 met Hendrik I van Brabant (1165-1235)
Jan-Tristan (doodgeboren 1200)
Filips Hurepel (1201-1234), graaf van Clermont en van Boulogne, in 1216 gehuwd met Mathildis van Dammartin (1202-1259)
Paus Innocentius III droeg Filips een kruistocht tegen Engeland op die echter verviel daar de Engelse vorst zich in extremis aan de paus onderwierp. De Franse expeditie werd naar het Engels georiënteerde Vlaanderen afgeleid, waar de Franse vloot bij Damme een nederlaag opliep (30 mei 1213).
Om de Franse expansie een halt toe te roepen stuurde de Engelse koning aan op een grote anti-Franse Europese coalitie, waarbij weldra aansloten: zijn neef de Duitse keizer Otto IV en de graven van Vlaanderen, Holland en Boulogne. Het coalitieleger, dat Noord-Frankrijk wilde binnenvallen, werd echter door het Franse leger (versterkt door hulptroepen van keizer Frederik II van Hohenstaufen) op beslissende wijze verslagen in de Slag bij Bouvines op 27 juli 1214. Door deze overwinning kwam Vlaanderen onder Franse controle en verbeurde de Engelse koning definitief zijn laatste Franse lenen. Filips II verviervoudigde in één klap zijn kroondomein en de Engelse koning behield alleen de kuststrook van Aquitanië (Guyenne).
Filips II was er in geslaagd het oorspronkelijke kroondomein zo uit te breiden en het koninklijke gezag zodanig te verstevigen, dat het voortaan niet meer nodig was de troonopvolger nog vóór de dood van de regerende vorst te laten kronen. De steden kreeg hij aan zijn zijde, door het verlenen van gunstige handelsprivileges, bijvoorbeeld stapelrecht te Parijs en Rouen. Hij maakte van Parijs de hoofdstad van Frankrijk, en een waar bestuurscentrum, door de aanleg van geplaveide straten, van nieuwe wijken aan de linkeroever van de Seine, van openbare markthallen en door de bouw van de koningsburcht het Louvre en een nieuwe omwalling (waarvan nog delen bestaan).
Van groot belang waren ook zijn herstructureringen van het bestuur. Hij verdeelde zijn grondgebied in districten en stelde er koninklijke ambtenaren in aan die belast waren met rechtspraak en de inning van de belastingen. Hij gebruikte hiervoor twee types ambtenaren: baljuws en seneschalken. Seneschalken stelde hij voornamelijk aan in grensgebieden en hadden bovenop hun andere bevoegdheden ook een militaire functie.
| van 1180 tot 1223 koning van Frankrijk uit het Huis Capet. |
Hun huwelijksplannen vielen niet in goede aarde bij graaf Dirk III van Holland (-27 mei 1039). De toch al gespannen verhoudingen tussen beide broers werden hierdoor nog verder onder druk gezet. Als reden wordt opgegeven het grote standsverschil. Uiteindelijk werd het geschil bijgelegd en het huwelijk voltrokken. Thetburga werd twaalf jaar na haar man in het klooster van Egmond (dat toen nog Hallem of Hallum heette) begraven. Bij archeologisch onderzoek in 1980 werden van de daar aanwezige graven werden haar beenderen onderzocht. Thetburga bleek klein van stuk: 155 cm lang. Ze had een gecompliceerde breuk aan haar elleboog, een heupfractuur, ernstige botontkalking met beenatrofie (verschrompeling door stoornis in de voedselvoorziening). Ze had een athropathie (gewrichtsaandoening) en jicht aan de voeten.
Op 8 oktober 1980 werd Thetburga herbegraven. De monniken van het klooster in Egmond bidden in een plechtige mis voor de zielerust van haar en Othilde van Saksen, de vrouw van Dirk III en broer van Siegfried.
Sicconiden-legende
Op grond van de vermelding van de afstamming door Johannes a Leydis Siegfried (Sicco) van Holland en Thetburga vroeger voor de stamouders van de heren van Brederode en Teylingen. Als kinderen van Siegfried en Thetburga worden namelijk Dirk en Simon genoemd. Dirk zou dan zijn vader Siegfried hebben opgevolgd als tweede heer van Brederode en Simon als eerste heer van Teylingen. Sinds het midden van de negentiende eeuw wordt aan deze opvatting geen geloof meer gehecht. De stamvader van de Brederodes, Dirk Drossaard van Brederode, komt namelijk eerst in 1205 in oorkonden voor. Een van de torens van de Ruïne van Brederode in Santpoort is naar Thetburga vernoemd. Thetburga wordt ook in verband gebracht met de naam van het geslacht Tetrode of Tetterode.
In 961 huwde hij met Mathildis van Saksen (942 - 25 mei 1008), dochter van Herman Billung, hertog van Saksen, en van Hildegarde van Westerburg. Ze kregen een zoon: Arnulf II.
Na Boudewijns dood huwde Mathildis met graaf Godfried van Verdun.
Arnulf volgde dus in 965 zijn grootvader op, aanvankelijk onder de voogdij van de koning van Frankrijk, Lotharius, die vóór de dood van Arnulf I had beloofd dat hij ervoor zou zorgen dat de Vlaamse edelen de jonge graaf niet zouden manipuleren voor hun eigen belang, een belofte waaraan hij zich inderdaad ook hield. De graven Boudewijn van Cambrai en Dirk II van Holland traden op als regent en wisten te verkomen dat Vlaanderen als “onbezet” leen terugviel aan de kroon. Arnulf verloor Boulogne, St. Pol en Guînes aan Frankrijk, Gent en het Waasland aan Dirk II van Holland maar keizer Otto van Duitsland kwam tussenbeide en stopte verdere Franse veroveringen. Otto richtte de markgraafschappen van Antwerpen en Valenciennes in om de Franse expansie te beteugelen. Rond 976 liet koning Lotharius de regering aan Arnulf over, maar onthield hem het gezag over de door Arnulf I veroverde gebieden Oosterbant, Artesië, Ponthieu en Amiens. Arnulf weigerde in 987 Hugo Capet als koning te accepteren omdat hij als afstammeling van Karel de Grote een voorkeur had voor Karel van Neder-Lotharingen, die ook van Karel de Grote afstamde. Nadat Hugo Vlaanderen aanviel, erkende Arnulf hem toch nog als koning. Arnulf overleed aan een ziekte (hete koorts) en werd begraven te Gent.
Arnulf II was in 968 gehuwd met Rosela van Ivrea (945 - Gent 26 januari 1003, dochter van Berengarius II van Italië, koning van 950 tot 963, en van Willa van Toscane. Arnulf en Rosela kregen de volgende kinderen:
Mathilda (? - 995)
Boudewijn IV
| graaf van Vlaanderen van 965 tot aan zijn dood |
Bij zijn meerderjarigheid nam Boudewijn het bestuur stevig in handen: hij stelde paal en perk aan de onder zijn vader ontstane gezagscrisis in het noorden van het graafschap (Gent, Waasland, Kortrijk) en dwong bij de graven in het zuiden (Boulogne, Guînes, Hesdin en Saint-Pol de erkenning van zijn suzereiniteit af. Hij verplaatste de belangstelling van de Vlaamse graven, die tot dan toe op het zuiden was gericht, naar het oosten, en veroverde aanzienlijke gebieden op de rechteroever van de Schelde. Deze gebieden bleven als deel van het Heilige Roomse Rijk afhankelijk van de Duitse keizer, en kregen de naam Rijks-Vlaanderen.
In 1012 werd hij door keizer Hendrik II beleend met de Zeeuwse eilanden en het gebied dat later de Vier Ambachten zou worden. Dankzij gewiekste onderhandelingen met de Duitse keizer verkreeg hij in 1015 het markgraafschap Valenciennes, namelijk met de belofte zich afzijdig te houden in het interne Lotharingse conflict tussen de Reiniers en de graven van Verdun. Het lang begeerde graafschap Ename in het gouwgraafschap Brabant werd hem echter niet door de Duitse keizer gegund, zelfs niet na de inname (en verwoesting) van de hertogelijke burcht te Ename in 1033/1034.
Zijn expansiepolitiek was duidelijk gericht op de beheersing van het Scheldebekken, waarvan hij het economisch belang begreep. In 1009 stelde hij de Heer van Gistel aan als zeeprefect om de kust te beschermen tegen invallen. Tijdens zijn bewind begon de lakenindustrie ook vaste vorm aan te nemen. De graaf was eigenaar van de schorren langs de kust, waar schapen werden gefokt, en hij was waarschijnlijk de eerste wolleverancier van de Atrechtse draperie. Graaf Boudewijn spande zich ook in om de godsvrede te laten respecteren in zijn graafschap. Hij stichtte de abdij van Sint-Winoksbergen in 1022.
| graaf van Vlaanderen van 988 tot aan zijn dood. |
| Graaf van Gent |
Als zoon en erfgenaam van Boudewijn IV en van Otgiva van Luxemburg volgde hij zijn vader op bij diens dood. In 1028 huwde hij met Adela van Frankrijk (1009 - Mesen, 8 januari 1079), weduwe van hertog Richard III van Normandië (?-1027) en een dochter van koning Robert II van Frankrijk en Constance van Arles.
Wegens zijn aansluiting bij de rebellie van hertog Godfried II van Lotharingen werden hem zijn Duitse rijkslenen in 1046 ontnomen, meer bepaald de mark Valenciennes. Na zijn verzoening met de Duitse keizer kwam hij in 1056/1059 definitief in het bezit van Ename. Dit was een belangrijk Lotharings bolwerk (ten oosten van de Schelde, van oudsher de scheidingslijn tussen Frankrijk en het Duitse rijk). Hij consolideerde aldus met succes de door zijn vader begonnen politiek om ook Duitse rijkslenen te verwerven. Zijn opvolgers werden aldus leenmannen van de Duitse keizer. Het betrokken gebied wordt daarom ook Rijks-Vlaanderen genoemd.
Zijn oudste zoon Boudewijn werd door de Duitse keizer eveneens beleend met een markgraafschap (wellicht Ename), maar dit belette Boudewijn V niet zich een jaar later toch aan te sluiten bij hertog Godfried met de Baard in diens opstand tegen de keizer. In het kader van deze politiek dwong hij Richilde van Henegouwen, weduwe van Herman van Bergen (overleden 1051), tot een huwelijk met zijn zoon Boudewijn (VI). Door zijn toedoen werden de kinderen uit Richildis’ eerste huwelijk van hun erfrechten beroofd en lijfde hij de facto Henegouwen bij Vlaanderen in. Na het plotseling overlijden van de Duitse keizer Hendrik III (1056) en de minderjarigheid van diens zoon Hendrik IV werden door de Lotharingse rijksedelen, aartsbisschop Anno II van Keulen en paltsgraaf Hendrik I van Lotharingen, de vredesbesprekingen van Andernach (1056 en 1059) met Boudewijn gevoerd. Ook het wegens bloedverwantschap canoniek ongeldige huwelijk van zijn zoon Boudewijn met Richilde van Henegouwen werd door de paus kort nadien gelegitimeerd.
Door het huwelijk van Boudewijns tweede zoon, Robrecht de Fries, met Geertrui, weduwe van de graaf van Holland, strekte de Vlaamse invloedssfeer zich over een groot deel van de Nederlanden uit. Zo groot was Boudewijns aanzien, dat hij bij de dood van de Franse koning Hendrik I (1060) voogd werd over diens minderjarige troonopvolger Filips I.
Op het binnenlandse vlak heeft Boudewijn het grafelijke gezag verstevigd door het territoriale bestuur te reorganiseren (kasselrijen in plaats van gouwen) en de bevoegdheden van de kloostervoogden in te krimpen (mede door de invloed van de kerkelijke hervormingsbeweging van Richard van Saint-Vanne). Om het dunbevolkte en ongecultiveerde centrale gedeelte van zijn graafschap beter te verbinden met de rijke steden, die zich aan de kust en de Schelde ontwikkelden, legde hij een gordel van nieuwe steden aan in Binnen-Vlaanderen: Torhout, Ieper, Mesen, Rijsel, Kassel en Ariën. Deze nieuwe stichtingen werden hoofdplaats van een kasselrij en kregen een jaarmarkt om de kooplieden aan te trekken.
Kort voor zijn dood steunde Boudewijn V nog de expeditie naar Engeland (1066) van zijn schoonzoon Willem de Veroveraar, die gehuwd was met zijn dochter Mathilda van Vlaanderen. Deze stellingname was echter niet zonder risico’s: de opkomst van het Anglo-Normandisch blok, dat voor Vlaanderen gevaarlijk kon worden, werd er niet door tegengewerkt. Een van de redenen van Boudewijns keuze was waarschijnlijk dat hij op die manier de kans zag om een deel van de dissidente adel die Willem op zijn tocht vergezelde, onschadelijk te maken.
Boudewijn V overleed op 1 september 1067. Na zijn dood trok zijn weduwe Adela zich als non terug in een klooster te Mesen, waar zij in 1079 overleed.
| graaf van Vlaanderen van 1035 tot aan zijn dood. |
Als weduwe van hertog Richard III van Normandië huwde zij in 1028 met graaf Boudewijn V van Vlaanderen. Hun kinderen waren:
1.Boudewijn VI van Vlaanderen
2.Mathilda (1032 - Caen, 2 november 1083), gehuwd in 1053 met Willem I de Veroveraar, hertog van Normandië en koning van Engeland
3.Robrecht I van Vlaanderen, vader van Adela, gehuwd met Knoet IV van Denemarken.
Na Boudewijns (V) overlijden in 1067 trok zij zich terug in de abdij van Mesen.
Haar feestdag valt op 8 september. In de oude crypte onder de kerk van Mesen bevindt zich een gedenkteken ter harer ere.
Strijd met Richilde om Vlaanderen
Na het overlijden van Boudewijn VI kwam het tot een gewapend treffen met de gravin-weduwe Richilde van Henegouwen en haar twee zonen Arnulf en Boudewijn. De familietwist, met als inzet het graafschap Vlaanderen, werd beslecht in de Slag bij Kassel op 22 februari 1071. Robrecht de Fries zegevierde en Arnulf III sneuvelde.
Richilde en haar zoon Boudewijn moesten zich, na deze nederlaag, tevreden stellen met het graafschap Henegouwen.
Nochtans was Arnulf III voordien reeds erkend als Graaf van Vlaanderen door zijn leenheer, de Franse koning Filips I, en had hij de steun gekregen van Willem de Veroveraar, die intussen koning van Engeland was geworden. De dood van Arnulf zette kwaad bloed bij de Franse koning en ook bij de paus.
Richilde kon zich bij deze nederlaag niet neerleggen. Het testament van haar man had bepaald dat bij het overlijden van één van zijn zonen, de overlevende zoon, het graafschap van de overledene zou erven. Dus Boudewijn was volgens het testament graaf van Vlaanderen. Richilde kreeg hierbij in eerste instantie de steun van Filips I, die Boudewijn erkende als de rechtmatige graaf van Vlaanderen. Nauwelijks een maand na de nederlaag bij Kassel trok Richilde met een gezamenlijk Henegouws en Frans leger ten strijde tegen Robrecht de Fries. Sint-Omaars werd geplunderd en platgebrand. Robrecht was in het defensief, maar haalde toen een slimme diplomatieke zet uit. Hij had voordien in Kassel Eustachius, graaf van Boulogne, gevangengenomen. Deze was tevens de broer van Godfried, bisschop van Parijs en kanselier van Filips I. Door een goed woord van laatstgenoemde bij de Franse koning en de vrijlating van Eustachius, zag Filips I af van zijn steun aan Richilde. Robrecht de Fries verzoende zich met de Franse koning en gaf hem in 1073 zijn stiefdochter Bertha tot vrouw.
Hij herstelde tevens zijn blazoen bij de paus door het bouwen (of vernieuwen) van een dertigtal kerken of kapellen, allen toegewijd aan de heilige Petrus, zoals te Oostende en te Brugge.
Richilde gaf echter niet op. Zij slaagde erin een verbond te vormen met gezworen vijanden van Robrecht de Fries : de bisschop van Luik, Godfried III met de Bult, hertog van Neder-Lotharingen, Willem I, bisschop van Utrecht, en de bisschoppen van Verdun en Cambrai en ook de aartsbisschop van Keulen. Zij was zelfs hiervoor bereid vazal te worden van de bisschop van Luik. De anderen hadden rijkelijke geschenken bekomen.
Robrecht de Fries kon opnieuw een veldslag voorkomen door een gezant te sturen naar de Duitse koning Hendrik IV. Deze gaf de koning de boodschap dat Robrecht de investituur van Rijks-Vlaanderen, bestaande uit gedeelten van Vlaanderen die op de rechteroever van de Schelde gelegen waren, wilde bevestigen en desnoods de koning militair zou bijstaan. Op dat ogenblik zat Hendrik IV zelf in een investituurstrijd gewikkeld met Paus Gregorius VII en kon dus alle hulp goed gebruiken. Hij aanvaardde het aanbod en erkende Robrecht de Fries als graaf van Vlaanderen. Zo kwam er zonder slag of stoot een einde aan het verbond van Richilde met haar bondgenoten.
Richilde bleef zinnen op wraak en viel met een Henegouws leger Vlaanderen binnen. Robrecht trok in de tegenaanval en viel plunderend Henegouwen binnen. Tenslotte verpletterde hij het kleine leger van Richilde. Na een vredespakt, dat later verbroken werd, kwam Dowaai bij het graafschap Vlaanderen.
Strijd tegen de bisschop van Utrecht
Samen met zijn stiefzoon Dirk V van Holland streed hij met succes tegen het gezag van de bisschop van Utrecht. Volgens onbevestigde bronnen zouden zij beiden zelfs de hand hebben gehad in de moord (1076) op Godfried met de Bult, gespietst op een ijzeren staaf. Uiteindelijk slaagden zij erin de vroeger verloren gebieden van het graafschap Holland te heroveren.
Betrokkenheid bij de Engelse troon
De betrekkingen met de Engelse koning Willem de Veroveraar waren verre van vriendschappelijk. Deze had indertijd zelfs een contingent Normandiërs gestuurd om Richilde te steunen in haar strijd tegen Robrecht. Robrecht steunde de aanspraken van zijn schoonzoon Knoet IV van Denemarken op de (verloren) Engelse troon. Samen zouden ze een vloot van 1600 boten naar Engeland sturen. Het kwam echter nooit zover, door een broedertwist tussen de twee Deense prinsen Knoet IV en Olaf. Olaf werd gevangengenomen en naar Robrecht gestuurd. Maar kort daarop, op 10 juli 1086, werd Knoet IV vermoord. Olaf werd teruggestuurd naar Denemarken, na betaling van een aanzienlijke som losgeld.
Pelgrimstocht naar Jeruzalem
Robrecht de Fries had het plan opgevat om op pelgrimstocht naar Palestina (het "Heilige Land") te trekken (1086–1091) (dus vòòr de eerste Kruistocht). Hij liet het bestuur van het graafschap in handen van zijn zoon , de latere Robrecht II. Robrecht de Fries verbleef twee jaar in Jeruzalem. Bij zijn terugkeer knoopte Robrecht betrekkingen aan met de Byzantijnse keizer Alexius Comnenus, aan wie hij militaire hulp verleende in diens strijd tegen de Seltsjoeken.
Hervormingen
Robrecht de Fries staat bekend om zijn binnenlandse hervormingen die hem in staat stelden met de steun van de steden het grafelijk gezag te verstevigen, ten nadele van de voorrechten van de adel en de geestelijkheid. Dit ging niet vanzelf. Arnoldus, bisschop van Soissons en latere stichter van de abdij in Oudenburg, ging in 1083 op reis door het graafschap om de vrede te herstellen tussen de graaf en de adel. Arnoldus zou sterven op 15 augustus 1087 te Oudenburg gedurende een tweede vredestocht. Robrecht de Fries voerde het ambt in van grafelijke kanselier en bevorderde de ontluikende handel. Hij maakte van Brugge een Europees handelscentrum. Door de begrippen godsvrede en -bestand na te leven, bevorderde hij ook de vrede met naburige graafschappen.
Graf en opvolging
Robrecht liet in Kassel in 1072 de Sint-Pieterskerk bouwen op de Terrasse du Château (het platform boven op de Kasselberg) om zijn overwinning op de Franse koning te vieren die hij het jaar voordien op de naamdag van Sint-Pieter had behaald. Robrecht werd in 1093 in een crypte onder de kerk begraven. In 1787 begon men met de afbraak van de kerk. Tijdens de Franse Revolutie werden zijn asresten opgegraven en in een goot gegooid.
Robrecht werd opgevolgd door zijn zoon, Robrecht II van Jeruzalem, aan wie hij reeds vóór zijn vertrek op pelgrimstocht gedeeltelijk het bestuur van zijn graafschap overdroeg (sinds 1080).
Op doortocht door Bourgondië, bij zijn terugkeer van Jeruzalem, regelde Robrecht I het huwelijk van zijn zoon. Hij bracht Clementia, dochter van graaf Willem I van Bourgondië, mee naar Vlaanderen. Hij gaf haar, wegens haar voorname positie, een aanzienlijk weduwengoed van 12 dorpen (bijna een derde van zijn graafschap). Dit weduwengoed zou later nog voor problemen zorgen bij opeenvolgende erfopvolgingen.
Toen Robrecht II ook officieel graaf van Vlaanderen werd bij de dood van zijn vader in 1093, bestendigde hij diens beleid door zijn streven naar een beter en krachtiger bestuur, zowel op buitenlands als op binnenlands gebied.
Zijn huwelijk met Clementia, de zuster van de latere paus Calixtus II, buitte hij uit om zijn bondgenootschap met de paus te verstevigen. In de Investituurstrijd stelde hij zich uiteraard op aan de kant van de paus.
Eerste Kruistocht
Van 1096 tot 1100 nam Robrecht deel aan de Eerste Kruistocht. Hij sloot zich aan bij het contingent van Godfried van Bouillon. Nadat Constantinopel bereikt was, moesten de kruisvaarders een eed afleggen aan Byzantijns keizer Alexios I Komnenos om alle veroverde landen aan het Byzantijnse Rijk af te staan, Robrecht zou zonder problemen deze eed afgelegd hebben, omdat zijn vader dit ook al eens gedaan had bij Alexios, in tegenstelling tot andere kruisvaarders die er meer moeite mee hadden.
Na wat vertraging in Constantinopel, nam Robrecht deel aan het Beleg van Nicea. Na het succesvolle maar gedeeltelijk teleurstellend beleg werd de groep in tweeën gesplitst. Robrecht marcheerde met Bohemund I van Antiochië, Stefanus II van Blois, Robert Curthose en een Byzantijnse delegatie, een dag vooruit op de andere groep. Dit leger werd omsingeld door de Seltsjoeken onder leiding van Kilij Arslan I rond de vlakte van Dorylaeum op 30 juni 1097, wat zou resulteren in de Slag bij Dorylaeum. De volgende dag kwam de volgende groep aan met Raymond IV van Toulouse, Godfried van Bouillon en Hugo I van Vermandois en doorbrak de omsingeling van de Seltsjoeken, De twee groepen formeerden weer samen, met Robrecht en Raymond in het centrum, en versloegen de Turken.
Aan het einde van 1097 werd Antiochië bereikt, het Beleg van Antiochië duurde maanden. In december gingen Robrecht en Bohemund op expeditie om in de omgeving naar voedsel te zoeken. Op 30 december versloegen ze Dukak, de Seltsjoek heerser van Damascus, die op weg was om de belegerden te ondersteunen. Enkele maanden later wist Bohemund via onderhandelingen een poortwachter zo ver te krijgen om de stadspoorten te openen. Robrecht behoorde bij de eersten die de stad binnendrongen. Enkele dagen na de verovering werden de kruisvaarders zelf belegerd door Kerbogha, de Atabeg van Mosoel. Op 28 juni 1098 braken de kruisvaarders de stad uit om Kerbogha te ontzetten, Robrecht en Hugo leidden daarbij de eerste zes divisies. Kerbogha werd verslagen en het moslimbolwerk van Antiochië was nu volledig in handen van de christenen. Robrecht , Bohemund, Raymond en Godfried sloegen een tijd hun kamp op in de stad, maar al gauw claimde Bohemund de stad voor zich op, net als Raymond. Maar Robrecht steunde Bohemund in dit meningsverschil.
Het conflict duurde voort en het uiteindelijke doel van de kruistocht kwam in gevaar. Uiteindelijk verliet Raymond Antiochië en ondernam een aanval op Ma’arat al-Numan, Robrecht nam ook deel aan dit beleg. Vervolgens bood Raymond, Robrecht een bedrag van 6000 ’sous’ om zich bij zijn leger te vervoegen. Raymond probeerde op dezelfde wijze ook andere leiders om te kopen. Robrecht weigerde en bleef achter in Antioch, net als Godfried van Bouillon, terwijl Raymond via de kust zuidwaarts trok. In februari vertrok Robrecht en de rest van kruisvaarders toch naar Jeruzalem via een andere route. Ze ontmoetten Raymond weer bij het beleg van Arqa. Vervolgens werd Jeruzalem veroverd op 15 juli 1099. Robrecht steunde Godfried in zijn kandidatuur als koning van Jeruzalem tegenover Raymond. Op 9 augustus marcheerden Robrecht en Godfried een leger uit het Kalifaat van de Fatimiden tegemoet, die de stad Jeruzalem wilde ontzetten. Dit leger werd geleid door de vizier Al-Afdal Shahanshah en het kwam op 12 augustus 1099 tot een gevechtsoffensief bij de Slag bij Ascalon waarbij de kruisvaarders zegevierden. Er kwam weer een dispuut over wie de heerser van Ashkelon zou worden. Robrecht steunde dit keer niemand in dit dispuut.
Robrecht II werd een van de belangrijkste figuren en onderscheidde zich bij verschillende belegeringen. Hij stond bekend als een wreed veroveraar die graag meedeed aan de moorden en plunderingen in het veroverde Jeruzalem. Deze kruistocht bezorgde hem de titel ’Robrecht van Jeruzalem, bevrijder van het H. Graf’. Aan het einde van augustus 1099 keerde Robrecht terug naar huis, met in zijn gezelschap Robert Curthose en Raymond van Toulouse. Ze veroverden de Syrische havenplaats Latakia en droegen het over aan de Byzantijnse keizer. Raymond verbleef er een tijdje, maar Robrecht en Robert namen de boot naar Constantinopel . Keizer Alexios vroeg om bij hem in dienst te blijven, Robrecht weigerde en mocht een reliek (de arm van St, Joris) mee nemen naar huis. Hij plaatste dit reliek in de kerk van de abdij van Anchin (te Pecquencourt, nabij Dowaai, Noorderdepartement) toen in Vlaanderen, maar nu in Frankrijk. Vervolgens bouwde hij de Sint-Andriesabdij, in Zevenkerke nabij Brugge.
Hij overleed te Meaux (of te Chelles?) aan de verwondingen opgelopen toen hij, na een zware val van zijn paard, vertrapt werd door de paarden van zijn vluchtende troepen. Dit gebeurde tijdens een expeditie van koning Lodewijk VI van Frankrijk, die hij als vazal vergezelde, gericht tegen graaf Theobald IV van Blois, een neef en bondgenoot van de Engelse koning.
Hij werd begraven (waarschijnlijk op 6 oktober 1111) in de Sint-Vaastabdij van Atrecht, in aanwezigheid van de Franse koning en veel edelen.
Hij werd opgevolgd door zijn zoon, Boudewijn VII met de Bijl.
In fictie
Robrecht II verschijnt enkele minuten, in de mini-serie Crociate (The Crusaders (2001)), als de hoofdpersonen aankomen in Bari waar zij ingescheept willen worden voor het Heilige Land, komt Robrecht net aan wal en roept tegen de mannen die hij onder ogen komt dat ze geen krijgers zijn maar boeren, en als ze zich bruikbaar willen maken ze toch beter voorbereid moeten zijn. Robrecht is het enige personage dat op waarheid gebaseerd is in deze mini-serie.
| graaf van Vlaanderen van 1093 tot aan zijn dood. |
Later zou Clementia nog hertrouwen met graaf Godfried I van Brabant (1060-1139). Uit dit huwelijk werd een zoon, Goswinus, geboren, die zijn zuster zou vergezellen naar Engeland en daar zou trouwen met Agnes van Percy.
Aanvankelijk deelde hij het bestuur met zijn moeder Clementia van Bourgondië. Maar reeds in 1113 kwam hij in conflict met haar. Het ging om haar weduwengoed, haar toegezegd door Robrecht de Fries bij haar huwelijk met Robrecht II. Het ging om een omvangrijk gebied, misschien wel een derde van het graafschap Vlaanderen. Boudewijn VII aanzag dit terecht als een ernstige aantasting van zijn gezag en zijn financiële middelen. Zij dreigde, met behulp van bisschop Lambert van Atrecht, de zaak aan te spannen voor de Vlaamse edellieden in de Vlaamse curia of zelfs voor de Franse koning, als opperrechter. Later is echter alles in der minne geregeld met de graaf als hoeder van de gronden van zijn moeder.
Hij werd bijgestaan als raadgever door zijn neef Karel van Denemarken, zoon van de vermoorde koning Knoet IV van Denemarken en Adela van Vlaanderen, en opgevoed aan het grafelijke hof. Hij zou zelfs de graaf vervangen, toen Boudewijn VII in 1117 en 1118 deelnam aan de oorlog in Normandië en ook tijdens de laatste maanden van de doodzieke graaf in 1119.
In het spoor van zijn voorgangers, Robrecht I en Robrecht II, gaf hij bij de opkomst van de steden en de handel blijk van grote gestrengheid inzake de godsvrede, die hij herhaaldelijk hernieuwde, o.a. in 1114 te Sint-Omaars. Hij deed grote inspanningen om recht en orde te doen zegevieren. Zelfs als jeugdige graaf viel er met hem niet te spotten. Amper twee maanden na zijn aanstelling, liet hij, naar men verhaalt, een roofridder levend koken op de markt van Brugge. Hij werd gevreesd voor zijn strenge optreden tegen boeven, roofridders en rebellerende edelen. Dit waren voornamelijk de Zuid-Vlaamse leengraven Walter II van Hasdin en Hugo II van Saint-Pol, die zich poogden aan het grafelijke gezag te onttrekken. Beiden moesten inbinden en het kwam tot een vredesakkoord. De steun die hij in ruil van de steden genoot, diende hem in zijn strijd tegen de adel. Boudewijns bijnamen herinneren aan zijn krachtdadig optreden tegen de verstoorders van de landvrede.
Hij was in 1110 gehuwd met Havoise van Bretagne, dochter van hertog Alan IV. Maar het huwelijk werd niet lang daarna door paus Paschalis II ontbonden. De internationale situatie was veranderd. Bretagne had de zijde gekozen van de Engelse koning, terwijl Vlaanderen aan de zijde van de Franse koning stond. Toen zijn vader Robrecht II sneuvelde in 1111, bestond de kans dat Boudewijn in het kamp van zijn schoonvader zou terechtkomen. Dit zal wel de doorslag gegeven hebben, maar de officiële reden was een te nauwe bloedverwantschap.
Boudewijn overleed kinderloos, zodat het Vlaamse gravenhuis der Boudewijnen in rechtstreekse mannelijke lijn uitstierf. Kort vóór zijn dood wees hij zijn neef prins Karel van Denemarken aan als zijn troonopvolger. Hij deed de edelen van Vlaanderen en zijn moeder Clementia de eed van trouw zweren op zijn troonopvolger. Kort voor zijn dood werd hij nog monnik. Hij overleed op terugreis naar het kasteel van Wijnendale. Hij werd op 19 juni begraven in de Sint-Bertijnsabdij in Sint-Omaars, in het bijzijn van Karel van Denemarken en veel buitenlandse edellieden.
Zijn opvolger zou de legendarische graaf Karel de Goede worden.
| graaf van Vlaanderen van 1111 tot aan zijn dood |
Zij huwde in 1110 met de latere graaf Boudewijn VII van Vlaanderen, maar dit huwelijk bleef kinderloos en werd later (datum onbekend) door paus Paschalis II geannuleerd "wegens bloedverwantschap", maar ook wegens de gewijzigde politieke coalities. De internationale situatie was veranderd. Bretagne had de zijde gekozen van de Engelse koning, terwijl Vlaanderen aan de zijde van de Franse koning stond. Toen zijn vader Robrecht II van Vlaanderen sneuvelde in 1111, bestond immers de kans dat dat Boudewijn in het kamp van zijn schoonvader zou terechtkomen.
Adelheid, gehuwd met hertog Simon I van Lotharingen,
Gertrudis, mogelijk gehuwd met Lambert, graaf van Montaigu en Clermont.
Hendrik III is vooral bekend voor zijn bijdrage tot de inwijding van de abdij van Affligem. In juli 1086, kort voor de eigenlijke inwijding op 24 augustus 1086, schonk hij haar een uitgestrekt allodium van 20 mansi (ongeveer 300 hectare) te Asse.
Na de dood van paltsgraaf Herman II van Lotharingen (Dalhem, 20 september 1085), kreeg hij het Landgraafschap Brabant in leen van de Duitse keizer Hendrik IV. Dit rijksleen was gesitueerd tussen de rivieren de Dender en de Zenne en vormde de institutionele basis voor de oprichting van het hertogdom Brabant in 1183. Als landgraaf werd hij bovendien een rechtstreeks leenman van de Duitse keizer en had de hertog van Neder-Lotharingen geen gezag over zijn Brabants graafschap. Omstreeks 1091 werd Hendrik III van Leuven beschouwd als de machtigste graaf in Neder-Lotharingen (MGH, Scriptores X, Rodulfi Gesta abbatis Trudonensis, 250: Heynricus tunc potentior habebatur in nostris partibus).
Volgens Herman van Doornik (ca.1140) genoot graaf Hendrik III grote faam en bekendheid in zijn tijd. Hij verdreef rovers en dieven uit zijn gebied, zodat er in geen enkel graafschap meer vrede en veiligheid heerste dan in het zijne (MGH, Scriptores XIV, Hermanni liber de restauratione S.Martini Tornacensis, 282).
In februari of maart 1095 nam hij deel aan een riddertornooi op uitnodiging van Everard, burchtheer van Doornik. Hij werd dodelijk gewond in een steekspel met ridder Goswin de Forest.
Hij werd als graaf van Leuven en Brussel en als landgraaf van Brabant opgevolgd door zijn broer, Godfried.
| graaf van Leuven en Brussel en landgraaf van Brabant |
In de strijd tussen Frankrijk en Engeland probeerde hij een neutrale positie te bewaren, hetgeen de Vlaamse handel ten goede kwam. Onder zijn bewind konden de steden zich ontwikkelen en werden de instellingen organisatorisch hervormd. Door zijn (tweede) huwelijk (1139) met Sybille van Anjou, wier vader Fulco koning van Jeruzalem was, begon hij een bijzondere belangstelling voor het Oosten aan de dag te leggen. Hij ondernam vier reizen naar het Heilige Land, waarvan hij de vermeende relikwie van het H. Bloed (bewaard te Brugge) zou hebben meegebracht. Tijdens zijn derde reis (1157–1159) vertrouwde hij het regentschap toe aan zijn zoon Filips van de Elzas, aan wie hij vóór zijn vierde reis, einde 1164, definitief de regering overliet.
| graaf van Vlaanderen van 1128 tot aan zijn dood |
In 1139 zou Sybille met de Vlaamse graaf Diederik van de Elzas trouwen, die op zijn eerste kruistocht naar het Heilige Land was. Sybille keerde met Diederik terug naar Vlaanderen. Tijdens de tweede kruistocht van Diederik naar het Heilige Land (1137-1139) bestuurde zij het graafschap. In deze periode trachtte Boudewijn IV van Henegouwen een aanval op Vlaanderen in te zetten, die door Sybille op krachtdadige wijze werd afgeslagen. Zij liet Henegouwen verwoesten, waarna Boudewijn IV hetzelfde deed met Artesië. De aartsbisschop van Reims diende tussen beide te komen om een vredesverdrag te sluiten.
In 1157 vergezelde zij Diederik naar het Heilige Land en bewoog hem om van haar te scheiden, zodat zij in het klooster van St. Lazarus in Bethanië (Jeruzalem) kon intreden, waar haar stieftante Ioveta van Bethanië abdes was. Zij overleed er in 1165.
Hij huwde een eerste maal met Maria van Boulogne, en werd zo graaf van Boulogne. Hun oudste dochter Ida van Boulogne werd zijn opvolgster in Boulogne. Hun tweede dochter, Mathildis van de Elzas, ook Mahaut genoemd, huwde Hendrik I van Brabant en werd de moeder van Adelheid van Brabant die later gravin van Boulogne zou worden.
Een tweede maal huwde hij met gravin Eleonora van Vermandois, dochter van Roland I van Vermandois.
Mattheüs overleed aan verwondingen, opgelopen bij het beleg van Driencourt.
Door zijn huwelijk met Elisabeth van Vermandois (in 1159), dochter van Roland I van Vermandois, verwierf Filips in 1163 het graafschap Vermandois en de afhankelijkheden Amiens en Valois, waardoor Filips’ machtsgebied in het zuiden nu tot aan het Franse kroondomein reikte, het Île de France. Na de dood van Elisabeth (1183) eiste de Franse koning Filips August echter haar bezittingen op, doch na onderhandelingen mocht Filips ze levenslang behouden; niettemin stond hij vrijwillig Valois aan zijn schoonzuster Eleonora af.
In 1184 hertrouwde Filips met Mathilda, dochter van koning Alfons I van Portugal. Zijn beide huwelijken bleven kinderloos. Het besef dat het Huis van de Elzas in mannelijke lijn zou uitsterven, heeft Filips ertoe gedreven een politiek te voeren die erop gericht was het Franse kroondomein te beheersen. In 1180 liet hij zijn nicht Isabella van Henegouwen huwen met de jonge Franse koning Filips II August, die onder zijn voogdij stond. Dat bleek echter een misrekening, want Filips Augustus ging zijn eigen politiek voeren, die van hem de grote hersteller van de koninklijke macht zou maken. Toen Filips van de Elzas overleed viel het zuidelijk deel van Vlaanderen (het latere graafschap Artesië), dat hij als huwelijksgift aan Isabella had geschonken, aan Frankrijk.
Na de mislukking van zijn politiek tegenover Filips II August zocht Filips van de Elzas compensatie in zijn Palestijnse ambities, die evenmin met succes werden bekroond. Tijdens zijn tweede tocht naar het Heilige Land stierf hij aan een epidemische ziekte bij de belegering van Akko. Hij werd opgevolgd door zijn zus Margaretha en zijn zwager, Boudewijn de Moedige, die als Boudewijn VIII ook graaf van Vlaanderen werd.
Vernieuwend beleid
Op binnenlands vlak werd Filips’ beleid gekenmerkt door een krachtige stedelijke politiek. Zijn voornaamste verwezenlijking was de uitbouw van zijn graafschap tot een moderne staat. Hij verleende eenvormige keuren aan de grote Vlaamse steden, en voerde ingrijpende wijzigingen door op gerechtelijk gebied (vernieuwing van het strafrecht, instelling van de baljuws). Ook steunde hij een reeks opmerkelijke economische initiatieven, onder meer de stichting van de havens Grevelingen, Nieuwpoort, Damme en Biervliet. In de eerste periode van zijn regering (die samenvalt met deze vernieuwingen) werd graaf Filips geïnspireerd door zijn kanselier, Robrecht van Ariën, bisschop-elect van Atrecht en Kamerijk, maar in de periode nadien ziet het er naar uit dat hij zelf zijn beleid heeft uitgetekend. Filips van de Elzas was een geletterd vorst en zijn hof groeide uit tot een centrum van cultuur. Het grafelijk hof reisde rond, zoals gebruikelijk in die tijd, en verbleef onder andere in het Kasteel van Wijnendale. In 1180 liet graaf Filips het Gravensteen te Gent optrekken als verblijfplaats voor het grafelijk geslacht. Ook in de krijgskunst wist hij zich een goede reputatie op te bouwen.
Invoering wapenschild
Hij bezorgde Vlaanderen ook het huidige wapenschild: de klimmende leeuw van sabel, getongd en genageld van keel, op het gouden veld. Er wordt wel eens beweerd dat hij het meebracht uit het Heilige Land, waar hij het in 1177 zou hebben veroverd op een Saraceense ridder, maar dat is een mythe. Alleen al het feit dat de Leeuw op zijn zegel uit 1163 verschijnt, toen hij nog geen voet in de Oriënt had gezet, spreekt dit verhaal tegen. In werkelijkheid volgde Filips gewoon een West-Europese mode; ongeveer in dezelfde periode verscheen er ook een leeuw in de wapens van Brabant, Holland, Limburg en andere vorstendommen.
Hoewel er geen enkel historisch bewijs voor bestaat, vinden we vanaf de 14e eeuw in verschillende wapenboeken de bewering dat het huis van Vlaanderen vóór de Leeuw een gegeerd schild van twaalf stukken van lazuur en goud voerde, met een hartschild van keel. Dit werd toegeschreven aan de legendarische Liederik van Buc, van 793 tot 817 eerste Forestier of woudmeester (titel van de Vlaamse prinsen vóór ze graaf werden) van Vlaanderen. Het is waarschijnlijk afgeleid van een verkeerd geïnterpreteerd sierbeslag op het schild van de Vlaamse graaf Willem Clito (+ 1128), zoals het stond afgebeeld op zijn grafmonument in de Sint-Bertinusabdij van Sint-Omaars. Dat schild vertoont centraal een umbo (sierknop) van waaruit enkele stralen naar de schildranden vertrekken. In zijn zoektocht naar het oude wapen van Vlaanderen heeft abt Iperius, biograaf van het Vlaamse gravenhuis, dit geïnterpreteerd als een gegeerd wapen met een hartschild; de kleuren - die hij er zelf aan moet hebben toegevoegd - zijn vermoedelijk deze van het Franse koningshuis. Zo krachtig was zijn visie dat dit wapen in nauwelijks 30 jaar tijd volkomen ingeburgerd raakte.
| graaf van Vlaanderen van 1168 tot aan zijn dood |
Door zijn huwelijk verwierf Filips in 1163 het graafschap Vermandois en de afhankelijkheden Amiens en Valois, waardoor Filips’ machtsgebied in het zuiden nu tot aan het Franse kroondomein reikte, het Île de France. Na de dood van Elisabeth (1183) eiste de Franse koning Filips August echter haar bezittingen op, doch na onderhandelingen mocht Filips ze levenslang behouden. Filips stond het gebied echter af aan Elisabeths zuster, Eleonora, maar hij werd toch in 1185 verplicht om de gebieden aan de Franse koning af te staan.
Toen Boudewijn bij de dood van zijn vader in 1067 hem in Vlaanderen kon opvolgen, werd het graafschap Henegouwen in een personele unie met Vlaanderen verenigd. Deze unie was slechts van korte duur, daar ze, met de overwinning van Robrecht de Fries in de Slag van Kassel (1071), ongedaan werd gemaakt.
Boudewijn overleed in 1070 en werd begraven in de abdij van Hasnon. Omdat hij tevens de aanzet gaf tot de restauratie van deze abdij (1064), draagt hij ook de toenaam "van Hasnon".
| graaf van Vlaanderen vanaf 1067 en (als Boudewijn I) ook graaf van Henegouwen vanaf 1051 tot aan zijn dood. |
Richilde mag beschouwd worden als de grondlegster van het graafschap Henegouwen. Zij trouwde eerst omstreeks 1040 met Herman van Bergen, graaf van Bergen en graaf in het zuidelijke deel van de Brabantgouw. Kinderen:
Rogier († 1093)
Gertrude, trad toe tot de Orde van Sint-Benedictus
Omwille van Richilde’s erfrechten werd deze ca. 1049 door de Duitse keizer Hendrik III ook het bestuur van het markgraafschap Valenciennes toevertrouwd.
Na Hermans voortijdige dood (1051) hertrouwde zij, in strijd met de voorschriften van het canonieke recht, in 1051 met haar neef Boudewijn VI van Vlaanderen (5e graad bloedverwantschap). Kinderen:
Arnulf III van Vlaanderen
Boudewijn II van Henegouwen
Het is de eerste Boudewijn uit een lange rij gelijknamige graven van Henegouwen. Zijn toenaam luidt "van Hasnon", verwijzend naar de aanzet die hij gaf tot restauratie van de abdij van Hasnon in 1064. Richilde huwde nog een derde maal (1070/1071), namelijk met de Engelse edelman, William Fitzosbern, graaf van Hereford (±1020-1071).
Toen Boudewijn VI van Vlaanderen in (1070) overleed, regeerde Richilde korte tijd over de graafschappen Vlaanderen en Henegouwen, namelijk als voogdes over Arnulf III, oudste zoon uit haar tweede huwelijk. Haar zwager, Robrecht de Fries, maakte evenwel aanspraak op het graafschap Vlaanderen. De familietwist werd beslecht in de Slag bij Kassel (1071), waar Richilde en haar bondgenoten een verpletterende nederlaag leden. Haar zoon Arnulf en haar echtgenoot William Fitzosbern sneuvelden te Kassel.
Na deze rampzalige afloop probeerde Richilde haar graafschappen en allodia ten gelde te maken bij de Duitse keizer. De feodia werden aangekocht door Theoduinus, bisschop van Luik. Deze gaf ze vervolgens in leen aan de hertog van Neder-Lotharingen, die op zijn beurt de graafschappen opnieuw in leen gaf aan Richilde. Via deze leenroerige constructie kwam het eigenlijke graafschap Henegouwen tot stand en kon het gevrijwaard worden voor Richilde’s jongste zoon, Boudewijn II.
Richilde werd evenals haar tweede echtgenoot Boudewijn I van Henegouwen, begraven in de door hun rijk begunstigde abdij van Hasnon.
| gravin van Henegouwen tussen 1051 en 1076 |
Het kwam in 1071 tot een confrontatie in Kassel - zie Slag bij Kassel (1071) - waarbij Arnulf sneuvelde. Robrecht werd vervolgens als graaf van Vlaanderen erkend door de Franse koning.
Tot 1076 regeerde Boudewijn II onder het regentschap van zijn moeder, daarna steeds meer zelfstandig. Zijn pogingen om het graafschap Vlaanderen te heroveren mislukten bij herhaling. In 1096 vertrok Boudewijn naar de Eerste Kruistocht, tijdens dewelke hij in Syrië werd vermoord, kort na de inname van Antiochië. Zijn zoon Boudewijn volgde hem op.
Huwelijk en kinderen
Hij huwde in 1084 met Ida van Leuven (1077-1139), dochter van Hendrik II en Adele van de Betuwe, hun kinderen waren:
Boudewijn (III)
Lodewijk
Simon
Hendrik
Willem
Arnold, gehuwd met Beatrix van Ath
Ida, eerst gehuwd met Guy, heer van Chièvres, vervolgens met Thomas van Marle
Richilde, gehuwd met (1115-1118) met Amaury IV van Montfort, graaf van Évreux
Aleida, gehuwd met Nicolaas II van Rumigny
| graaf van Henegouwen van 1071 tot aan zijn dood |
| graaf van Évreux |
Hij trouwde rond 1107 met Yolanda van Gelre (overleden 1131), dochter van Gerard I van Gelre. Toen Boudewijn VII van Vlaanderen in 1119 kinderloos overleed, probeerde Boudewijn III andermaal zijn rechten op de Vlaamse troon te laten gelden, maar kon niet beletten dat deze toekwam aan Karel de Goede, een kleinzoon van Robrecht I. Bij zijn dood liet hij zijn weduwe met vier minderjarige kinderen achter. Zijn oudste zoon Boudewijn volgde hem op.
| graaf van Henegouwen van 1098 tot aan zijn dood |
Van de moord op de Vlaamse graaf Karel de Goede (1127) maakte hij gebruik om, net als zijn voorgangers en ook ditmaal tevergeefs, zijn aanspraken op Vlaanderen te laten gelden. Hoewel hij tijdelijk Oudenaarde en Ninove kon bezetten, moest hij toezien hoe Willem Clito graaf van Vlaanderen werd. Ook tegenover Clito’s opvolger, Diederik van de Elzas, heeft Boudewijn herhaaldelijk het onderspit moeten delven. Door een huwelijk (1169) van zijn zoon en erfgenaam, Boudewijn V, met Margaretha, zuster en erfgename van de regerende Vlaamse graaf Filips van de Elzas, kwam er een eind aan het bijna 100 jaar aanslepende conflict tussen Henegouwen en Vlaanderen.
Zijn bijnaam kreeg Boudewijn IV vanwege de versterkingen die hij langs de grens van Henegouwen met Brabant en Vlaanderen liet aanbrengen.
Sommigen beweren dat Mathilda het Tapijt van Bayeux gemaakt heeft, maar het is waarschijnlijker dat het, in Engeland, is gemaakt op bestelling van bisschop Odo, een halfbroer van Willem de Veroveraar, die na de overwinning tot graaf van Kent werd benoemd, om de glorieuze overwinning te memoreren.
Het tapijt van Bayeux is een borduurwerk van 70 meter lang en 50 cm hoog, dat de geschiedenis uitbeeldt van de slag bij Hastings in 1066. Hierbij viel Willem de Veroveraar vanuit Normandië Engeland binnen en versloeg hij de Angelsaksische koning Harold. Het tapijt is vernoemd naar de stad Bayeux in Frankrijk en werd vermoedelijk vervaardigd in 1068.
Het tapijt is gemaakt van linnen, geborduurd met gekleurde wol. Het laat zich lezen als een stripverhaal: in een groot aantal scènes worden de voorgeschiedenis, inscheping, landing, en de slag zelf behandeld. Er staat ook een beknopte Latijnse uitleg bij. Een van de beroemdste scènes is degene die lange tijd is benoemd als die waarin koning Harold een pijl in zijn oog krijgt en sneuvelt. Recent onderzoek heeft echter aangetoond dat de figuur die meer waarschijnlijk als Harold moet worden geïdentificeerd, degene is die rechts naast de Normandische krijger met paard op de grond valt en tevens het Angelsaksische teken van koninklijke waardigheid, de tweehandbijl of Daneaxe laat vallen.
Het is waarschijnlijk dat er een aantal meters aan het eind ontbreken waarin Willem in Westminster Abbey tot koning van Engeland wordt gekroond. Het wandkleed stamt uit de tijd kort na de slag (mogelijk slechts een paar jaar later) en is een belangrijke bron van geschiedkundige informatie, ook over wapens, kleding, zeden en gewoonten uit die tijd. Hoewel het door de tand des tijds hier en daar beschadigd is en op vele plaatsen is gerepareerd, is het over het geheel genomen zeer goed bewaard gebleven. Het is waarschijnlijk in Engeland gemaakt op bestelling van bisschop Odo (een halfbroer van Willem) die na de overwinning tot Graaf van Kent werd benoemd, om de glorieuze overwinning te memoreren.
Het tapijt van Bayeux toont een komeet die in 1066 verscheen. Dat kan heel goed de Komeet Halley zijn geweest. Het zou hier om de oudste nog bekende waarneming van de komeet in Europa gaan.
Het tapijt door de eeuwen heen
Het tapijt van Bayeux maakt deel uit van de schat van de kathedraal van Bayeux en heeft vele gevaren doorstaan: branden in de 12e eeuw, plunderingen en vernielingen tijdens de Honderdjarige Oorlog, de godsdienstoorlogen en de Franse Revolutie. In november 1803 werd het tapijt voor het eerst uit Bayeux gehaald en tentoongesteld in het Louvre. Na enige tijd kwam het weer terug naar Bayeux, om daar sinds 1842 tentoongesteld te worden. Eén uitzondering hierop is dat het tijdens de Tweede Wereldoorlog in het kasteel van Sourches (departement Sarthe) veilig werd bewaard. Na wederom een tussenstop in het Louvre gemaakt te hebben, keerde het in maart 1945 terug naar Bayeux. Tegenwoordig is het tapijt te bezichtigen in een speciaal daarvoor ingerichte gang in het voormalige Groot-Seminarie, een groot bouwwerk uit de 17e eeuw.
Leven
Willem was de buitenechtelijke zoon van Robert de Duivel en Herleva, dochter van een leerlooier genaamd Fulbert. Hij werd geboren in het Normandische Falaise, zo’n 30 km ten zuiden van Caen.
Zijn vader, Robert "de Duivel", werd ervan verdacht aan de macht te zijn gekomen na zijn oudere broer te hebben vergiftigd. Robert was hertog van Normandië tot hij in 1035 op de terugweg van een pelgrimstocht naar Jeruzalem overleed.
Willem volgde hem op als hertog van Normandië, wat gezien zijn buitenechtelijke afstamming erg ongebruikelijk was.
Na de gewonnen slag in Val-es-Dunes, in 1047 in de nabijheid van Caen, verkreeg Willem het respect van de Normandische adel. Hij eiste zijn rechten op het hertogdom op en maakte van Caen, tot dan een kleine nederzetting, een strategisch belangrijke plaats die daarmee één van de voornaamste residentiesteden van zijn hertogdom werd, buiten Falaise.
Als kind overleefde Willem diverse aanslagen op zijn leven en hij groeide op tot een krachtpatser met de voor die tijd reusachtige lichaamslengte van 1 meter 75.
Uit zijn huwelijk met Mathilda van Vlaanderen, dochter van Boudewijn V van Vlaanderen, rond 1051, werden vier zonen geboren (onder wie Robert Curthose, Willem Rufus en Hendrik Beauclerc) en vermoedelijk zes dochters, onder meer de later heilig verklaarde Adela en Agatha, die verloofd was met Alfons VI van Castilië.
Willem overleed op 9 september 1087 in het klooster van St. Gervais bij Rouen als gevolg van verwondingen die hij opliep toen hij tijdens het beleg van Mantes van zijn paard viel. Hij ligt begraven op de begraafplaats van de St. Steven’s abdij in Caen.
Politiek
Periode tot 1066
Na de dood van Robert de Duivel in 1035 traden eerst regenten op voor de jonge hertog, gedurende welke tijd er vele anderen hun macht probeerden te vergroten. Middels een veldslag bij Caen in 1047 slaagde Willem erin om een opstand van edelen te onderdrukken. Hierbij werd hij geholpen door zijn meerdere, koning Hendrik I van Frankrijk. In de loop der jaren lukte het de meedogenloze Willem door zijn militaire genie, diplomatie en uithuwelijking om zijn macht te vergroten en feitelijk onafhankelijk te worden van Hendrik.
Willem was in de verte familie van Eduard de Belijder, koning van Engeland tot zijn overlijden in 1066. De kinderloze Eduard zou rond 1051 Willem de Engelse troon beloofd hebben, maar het is twijfelachtig of dit echt gebeurd is. Bovendien was de troonopvolging in Engeland in die tijd niet erfelijk. Eduards zwager, de Engelse magnaat Harold Godwinson, zou rond 1064 na schipbreuk te hebben geleden op de Normandische kust, nabij Ponthieu (thans verdwenen), aan de Somme, in gevangenschap gezworen hebben Willems claim te ondersteunen, maar werd zelf in 1066 gekozen tot opvolger van Eduard. Harold had een eed afgelegd aan Willem, om de troon te verzaken aan de Normandische hertog. Hij pleegde meineed toen hij, terug in Engeland, na de dood van Eduard de Belijder zich toch liet kronen.
De reden dat Willem, die als erg hebzuchtig gold, er zo op gebrand was om de controle over Engeland te krijgen, was het feit dat het land in die tijd een hoge beschaving en grote rijkdom kende. De verschijning van de komeet van Halley in april 1066 zag hij als een goed voorteken. Vanwege slecht weer bij zijn gepland vertrek aan de Divesmonding, weken voordien, vertrok hij nu van de Sommemonding en landde pas op 28 september 1066 onbedreigd bij Pevensey op de Engelse kust, waarna hij op 14 oktober in de slag bij Hastings koning Harold versloeg, zijn belangrijkste wapenfeit. In Willems voordeel was dat Harold niet lang daarvoor, in de slag van Stamford Bridge op 25 september, al een inval van Harald III van Noorwegen en Harolds broer Tostig Godwinson had moeten afslaan.
Op 25 december werd Willem in de Westminster Abbey tot koning gekroond. Zijn verovering is het onderwerp van het beroemde Tapijt van Bayeux.
Periode na 1066
Willem had moeite om Engeland onder controle te krijgen en te houden en moest meerdere malen met harde hand opstanden onderdrukken. Hij nam de bezittingen van rebellerende Engelsen in beslag en gaf delen hiervan in leen aan zijn op buit beluste Normandische ridders, hiermee het leenstelsel in Engeland introducerend. Onder de tot dan toe relatief vrije Engelsen leidde dit tot grote onvrede en haat jegens de Normandische invallers.
In het opstandige noorden richtte Willem rond 1070 grote verwoestingen aan die langdurige hongersnoden veroorzaakten. Van buitenaf werd Willems rijk bedreigd door Frankrijk, Noorwegen, Denemarken en Schotland. Onder Willems bestuur werden zo’n tachtig kastelen gebouwd, waarvan de Tower in Londen het bekendste is.
Willem verving de Engelse aristocraten en hoge geestelijken door zijn eigen mensen uit Frankrijk.
Om de economische problemen die het gevolg waren van zijn politiek te bestrijden, gaf Willem opdracht tot het maken van het beroemde Domesday Book, een gedetailleerde administratie van onder meer eigendomsrechten en veestapels.
De Normandiërs drukten ook qua recht, cultuur en architectuur een sterke stempel op Engeland.
Na Willems dood in 1087 werd Willems zoon Willem Rufus koning van Engeland en zijn eerder tegen hem rebellerende zoon Robert Curthose hertog van Normandië.
| van 1035 tot 1087 hertog van Normandië en van 1066 tot 1087 als Willem I koning van Engeland |
Robert Curthose
Robert gedroeg zich grillig. Het scheen hem weinig uit te maken aan welke kant hij vocht, als er maar gevochten werd. Toen zijn vader in 1077 weigerde om het gezag over Maine en Normandië alvast aan hem over te dragen, bond Robert in een alliantie met de Franse koning Filips I van Frankrijk de gewapende strijd met hem aan. Op zijn sterfbed besloot Willem het koningschap over Engeland daarom niet aan zijn opstandige zoon na te laten, maar aan diens jongere broer Willem Rufus. Robert moest zich met het hertogdom Normandië tevreden stellen.
Willem Rufus en Robert Curthose kwamen overeen dat ze, zolang ze geen nageslacht hadden, elkaars erfgenaam zouden zijn. De jongste broer, Hendrik, die van zijn vader slechts een geldbedrag had geërfd, zou zodoende nooit de zeggenschap over een van beide gebieden krijgen. Het maakte hem tot levenslange rivaal van zijn beide broers.
Robert van Normandië
De gebieden Engeland en Normandië waren politiek sterk verweven. Normandische edellieden, die vaak in beide gebieden land bezaten, merkten al snel dat ze Robert een stuk makkelijker naar hun hand konden zetten dan dat bij de zelfbewuste Willem Rufus het geval was. Ze wakkerden de rivaliteit tussen de broers aan met als doel Rufus buitenspel te zetten. Hendrik maakte gemene zaak met hen, hopende om ooit de zeggenschap over een eigen gebied te verwerven.
Anders dan Willem Rufus was Robert geen sterk strateeg. Hij verwerd in de jaren na zijn vaders dood door zijn onbezonnen politiek tot een armoedzaaier die volgens, misschien enigszins overdreven, berichten van tijdgenoten soms dagenlang het bed hield omdat hij zich geen fatsoenlijke kleren kon veroorloven. In 1090 schoot Willem Rufus zijn oudere broer te hulp in de zoveelste strijd tegen de Normandische adel en in 1096 nam hij het gezag over Normandië tijdelijk waar omdat Robert had besloten om aan de Eerste Kruistocht deel te nemen. Robert bekostigde zijn expeditie met de pachtsom die hij van Willem Rufus ontving. De door Roberts beleid verloren gegane gebiedsdelen werden door Rufus al snel terugveroverd.
Robert de kruisvaarder
Omdat Robert zich geen eigen lofdichter kon veroorloven, figureert hij in de verslagen van de kruistocht slechts als bijfiguur in de lofzangen op andere strijders. Daaruit blijkt dat hij altijd in de voorste gelederen meevocht. Alexius Comnenus, de keizer van Constantinopel, beloonde hem uiteindelijk voor zijn loyaliteit met een donatie die hem gedeeltelijk uit de financiële problemen hielp. Die problemen werden verder opgelost door een huwelijk: aan tijdens de kruistocht opgedane contacten met in Italië gevestigde Noormannen hield hij zijn echtgenote over. In 1099 trouwde hij met de rijke Sybille van Conversano.
Robert versus Hendrik
Het was nog maar de vraag of Robert het gezag over Normandië van Willem Rufus terug zou krijgen. Dit probleem bleek bij Roberts terugkeer in september 1100 al opgelost: Rufus was een maand eerder bij een jachtongeval omgekomen. Omdat Rufus geen nakomelingen had en Robert afwezig was had Hendrik van de gelegenheid gebruikgemaakt om de Engelse troon te bestijgen. Dat ten tijde van het jachtongeval al bekend was dat Robert in aantocht was, had daarbij geen beletsel gevormd.
In 1101 maakte Robert, gesteund door Normandisch-Engelse baronnen die Hendrik maar wat graag plaats zagen maken voor zijn eenvoudig te manipuleren broer, de overtocht naar Portsmouth om zijn rechten op de Engelse troon te laten gelden. Na een goed gesprek, waarin bleek dat zijn plan om de twee gebiedsdelen te herenigen onvermijdelijk zou leiden tot conflicten met de paus, Frankrijk en Vlaanderen, besloot Robert eieren voor zijn geld te kiezen. Hij stelde zich tevreden met een jaarlijkse toelage van 2000 pond als genoegdoening en keerde terug naar Normandië waar hij opnieuw de grootste moeite had om de lokale adel onder de duim te houden. Met name Robert Belleme, die hem ten tijde van de tocht naar Portsmouth nog gesteund had, voerde nu voortdurend strijd met zowel Robert als Hendrik.
In Engeland rekende Hendrik snel af met Robert Belleme, die zich vervolgens in Normandië terugtrok. Daar kon hij, dankzij Robert Curthoses zwakke bewind, een stevige basis vestigen om Hendrik te blijven bestrijden. Hendrik loste de zaak in 1106 op door Normandië op zijn broer te veroveren bij de Slag van Tinchebrai. Zowel Robert Curthose als Robert Belleme werden levenslang gevangengezet.
Robert Curthose bracht hierdoor de laatste achtentwintig jaar van zijn leven door in Cardiff Castle, als gevangene van zijn broer. Zijn in 1101 geboren zoon Willem Clito leverde ondertussen vergeefs strijd met Hendrik om de macht over Normandië.
De toevoeging Clito is het Latijns equivalent voor het Angelsaksische "Aetheling" en het Duitse "Adelinus". Ze betekenen "man van koninklijke bloede" of "prins".
Levensloop
Nadat zijn vader in 1106 bij de Slag van Tinchebrai het gezag over Normandië verloor aan diens jongere broer, de Engelse koning Hendrik I, werd de vijfjarige Willem Clito door Hendrik gegijzeld en toevertrouwd aan de zorgen van Helias van Saint-Saens, de echtgenoot van een buitenechtelijke dochter van Robert Courteheuse. In 1112 zette deze de Engelse koning een hak door met de jongen naar het hof van graaf Boudewijn VII van Vlaanderen te vluchten. Boudewijn meende met Willem de rechtmatige hertog van Normandië in handen te hebben; dat ook hertog Robert na de Slag van Tinchebrai door Hendrik gevangen was genomen en nog steeds in leven was, werd voor het gemak over het hoofd gezien.
Een serie veldslagen volgde, waarbij de dynastieke rechten van Willem, behalve door Boudewijn ook werden bevochten door Fulco V van Anjou en de Franse koning Lodewijk VI, gesteund door opstandige Normandische edellieden. Boudewijn kwam om in de strijd en Lodewijk en Fulco gooiden in 1119 de handdoek in de ring: ze erkenden Hendriks gezag over Normandië. Tevergeefs probeerde Willem Clito nog een regeling bij Hendrik af te smeken, waarbij hij beloofde zijn rechten op Normandië op te geven als Hendrik zijn vader zou vrijlaten.
Enige jaren later meende Willem Clito een nieuwe machtsbasis te hebben gevonden om een aanval op Hendrik te ondernemen. Hij was door een huwelijk met Sybille van Anjou Graaf van Maine geworden en omdat Sybille de dochter van Fulco V van Anjou was, waren de banden met hem steviger aangehaald. Ook Lodewijk VI was opnieuw bereid om zich bij een coalitie aan te sluiten. Toen Hendrik lucht kreeg van het plan probeerde hij de paus ertoe over te halen om het huwelijk van Willem Clito te laten ontbinden wegens te nauwe bloedbanden tussen de echtelieden. Ook sloot hij een militaire alliantie met de Duitse keizer Hendrik V die Lodewijk vanuit het oosten bedreigde. Lodewijk haakte af en het leger van Fulco werd door Hendrik eenvoudig verslagen.
Het huwelijk met Sybille werd toch ontbonden en in 1127 huwde Willem Clito met Johanna, een dochter van Gisela van Bourgondië.
Nadat de Vlaamse graaf Karel de Goede zonder erfopvolgers overleed, gebruikte Lodewijk VI zijn recht om in zo’n geval over de opvolging te beslissen, door Willem Clito tot Graaf van Vlaanderen te benoemen. Zo kreeg Willem de gelegenheid om te laten zien dat hij als bestuurder over net zo weinig talent beschikte als zijn nog steeds in gevangenschap verblijvende vader.
Omdat Vlaanderen en Engeland economisch nauw verweven waren - de Vlaamse lakenindustrie verwerkte Engelse wol - was het voor Hendrik een koud kunstje om onrust in Vlaanderen te veroorzaken: hij sneed de woltoevoer af. Willem bleek niet in staat hier verstandig op te reageren. Burgers, onder leiding van Iwein van Aalst, revolteerden omdat Willem zich hierdoor niet aan gehouden beloftes hield. Hij kwam om op 28 juli 1128, bij de belegering van Aalst, een van de steunpunten van zijn tegenstanders.
| graaf van Vlaanderen |
In 1139 zou Sybille met de Vlaamse graaf Diederik van de Elzas trouwen, die op zijn eerste kruistocht naar het Heilige Land was. Sybille keerde met Diederik terug naar Vlaanderen. Tijdens de tweede kruistocht van Diederik naar het Heilige Land (1137-1139) bestuurde zij het graafschap. In deze periode trachtte Boudewijn IV van Henegouwen een aanval op Vlaanderen in te zetten, die door Sybille op krachtdadige wijze werd afgeslagen. Zij liet Henegouwen verwoesten, waarna Boudewijn IV hetzelfde deed met Artesië. De aartsbisschop van Reims diende tussen beide te komen om een vredesverdrag te sluiten.
In 1157 vergezelde zij Diederik naar het Heilige Land en bewoog hem om van haar te scheiden, zodat zij in het klooster van St. Lazarus in Bethanië (Jeruzalem) kon intreden, waar haar stieftante Ioveta van Bethanië abdes was. Zij overleed er in 1165.
Na de dood van Willem de Veroveraar had Willem II Engeland geërfd, zijn broer Robert Normandië en Hendrik alleen de stad Avranches en het graafschap Coutances. Na de dood van Willem II veroverde Hendrik echter de Engelse troon op een moment dat zijn broer Robert op de terugweg was van de eerste kruistocht.
Zijn regering wordt gekenmerkt door de verbeteringen die hij aanbracht in het landsbestuur en in de rechtspraak. Zo richtte hij de exchequer op, een centrale financiële administratie en maakte hij gebruik van rondreizende rechters die de rechtspraak in zijn rijk verzorgden. Hij herenigde de gebieden van zijn vader, Engeland en Normandië, maakte een einde aan het conflict dat zijn broer had veroorzaakt met de Kerk en wist de bestuurders zover te krijgen dat zij na de dood van zijn enige zoon in 1120 zijn dochter Mathilde, echtgenote van de Duitse keizer Hendrik V, als opvolger wilden aanvaarden.
Op 11 november 1100 trouwde Hendrik met Edith (die om de Normandische baronnen tevreden te stellen haar naam veranderde in Mathilde), de dochter van koning Malcolm III van Schotland. Zij kregen vier kinderen, maar zijn zoon Willem Adelin overleefde hem niet. Mathilde stierf in 1118. In 1121 hertrouwde hij met Adelheid van Leuven, maar dat huwelijk bleef kinderloos. Hij had vele onwettige kinderen (zie hieronder).
In 1101 deed zijn broer Robert via een inval een poging de kroon alsnog te bemachtigen. Met het Verdrag van Alton stemde Robert er in toe Hendrik als koning van Engeland te aanvaarden. Robert bleef echter ageren en daarom stuurde Hendrik in 1105 een invasiemacht naar Normandië om hier een eind aan te maken. In 1106 wist hij de overwinning te behalen. Zijn machtsbasis in Normandië was echter niet stevig vanwege het optreden van Roberts zoon, Willem Clito.
Van 1109 tot 1113 en van 1116 tot 1120 voerde hij oorlog met Frankrijk.
Hendrik stierf in 1135 in Normandië - volgens tijdgenoten omdat hij te veel zeeprik had gegeten. Tegenwoordig neemt men aan dat een voedselvergiftiging de doodsoorzaak was. Hij werd begraven in Reading Abbey.
Ondanks het feit dat de baronnen hadden ingestemd met een opvolging door Hendriks dochter Mathilde waren er twee zaken die haar opvolging in de weg stonden: zij was een vrouw, en zij was hertrouwd met Geoffrey uit het vijandige Franse Huis Anjou. Hierop werd Hendriks neef Stefanus van Blois uitgenodigd naar Engeland te komen en de troon te aanvaarden.
Hendrik I had vele onwettige kinderen van wie hij er 20 tot 25 erkende. Van velen is niet vast te stellen wie de moeder was. Hier volgt een overzicht van de kinderen die in bronnen vermeld staan.
bij onbekende moeders
Robert van Caen (ca 1090 – 1147), 1e graaf van Gloucester
Maud FitzRoy; 8 hertog Conan III van Bretagne
Constance FitzRoy; 8 burggraaf Roscelin van Beaumont
Mabel of Richildis FitzRoy; 8 Guillaume III Gouet, heer van Montmirail
Aline of Adelheid FitzRoy; 8 Matthieu I de Montmorency († ca 1100 – 1160), connétable van Frankrijk
Gilbert FitzRoy († na 1142)
Bij Edith
Mathilde FitzEdith († aan boord van de White Ship 25 november 1120); 8 (1103) graaf Rotrou I van Perche
Bij Ansfride
Juliana van Fontevrault (* ca 1090); 8 (1103) Eustache de Pacy († 1136)
Fulco FitzRoy (* ca 1092), monnik in de abdij van Abingdon
Richard van Lincoln (ca 1094 – aan boord van de White Ship 25 november 1120)
Bij Sybilla Corbet
Van Sybilla van Normandië en Reginald van Dunstanville is zeker dat zij de moeder is, van de andere twee niet.
Sybilla van Normandië (1092 – 1122); 8 (ca 1107) koning Alexander I van Schotland (ca 1078 – 1124)
Reginald van Dunstanville (ca 1098 – 1175), 1e graaf van Cornwall
William FitzRoy of Constable (* voor 1105); 8 Alice (Constable) († na 1187)
Rohese (van Engeland) (* 1114); 8 Henri de la Pomeroi
Bij Edith FitzForne
Robert FitzEdith (1093 – 1172), lord Okehampton; 8 Maud d’Avranches du Sap
Adelisa of Adelheid FitzEdith
Bij Nest ferch Rhys
Henry FitzRoy († 1157)
Bij Isabella van Beaumont
Isabella Hedwig van Engeland
Matilda FitzRoy, abdis van Montvilliers (Montpiller)
| koning van Engeland van 1100 tot 1135 |
| graaf in de Wetterau |
Geboorte en naamgeving
Terwijl Karel de Grote in Noord-Spanje op veldtocht was, beviel zijn vrouw Hildegard, hetzij op 11 april, hetzij in juni/augustus 778 in de palts van Chasseneuil bij Poitiers van een tweeling. Na Karels terugkeer werden ze als Lodewijk en Lothar gedoopt. De Karolingische koningsnamen Karel, Karloman en Pepijn waren reeds aan Karels eerder geboren zonen vergeven, zodat men besloot terug te grijpen naar deze van de belangrijkste Merovingische koningen Chlodowech I ofte Clovis, en Chlotarius I. De kleine Lothar stierf reeds in 779, maar Lodewijk overleefde.
Koning van Aquitanië
Ten tijde van de geboorte van Lodewijk begon Karel de Grote een politiek van decentralisatie van bestuur en militair bevel vorm te geven. Doel daarvan was om in alle strategische grensgebieden een permanent aanwezige macht te hebben, onafhankelijk van de verblijfplaats van Karel zelf. Hiertoe creëerde Karel koninkrijken voor zijn zoons, die daar moesten gaan wonen en het bestuur en het militaire bevel op zich moesten nemen. Lodewijk, drie jaar oud, werd in 781 koning van Aquitanië en daarmee belast met de confrontatie met de Arabieren in Spanje, onder regentschap van een hofhouding van ervaren hovelingen, bestuurders en bevelhebbers, die zijn taken voor hem waarnamen.
Lodewijk ontving als kind goed onderwijs, hij sprak vloeiend Latijn en beheerste ook Grieks. Hij werd verder opgevoed volgens de gewoonten en wetten van Aquitanië.
In 797 verwierf Lodewijk Barcelona nadat de Arabische gouverneur van die stad in opstand was gekomen en toen zijn opstand mislukte de stad liever aan de Franken overdroeg. In 799 ging Barcelona verloren maar in 800 leidde Lodewijk met Willem met de Hoorn en zijn zoon Bera, een leger van Aquitaniërs, Basken, Visigoten (uit Septimanië en de Provence) en belegerde Barcelona, de stad valt uiteindelijk in 801. Hiermee ontstond de Spaanse Mark.
In 806 regelde Karel de Grote zijn erfenis. Volgens deze verdeling zou Karel de jongere vermoedelijk koning worden boven zijn broers en kreeg hij de kern van het rijk, Pepijn kreeg Italië en delen van Zuid-Duitsland en Lodewijk kreeg Aquitanië, een deel van Bourgondië en de Provence.
In 812 bedwong Lodewijk een Baskische opstand. Hij ging voor zijn vader minstens een keer op campagne tegen Benevento in Zuid-Italië.
Keizer
Door de dood van zijn beide oudere broers, Pepijn en Karel de Jongere, was Lodewijk de enige overgebleven erfgenaam. Op 11 september 813 kwamen de rijksgroten te Aken bijeen en waren getuige van de feestelijke verheffing van de zoon van Karel de Grote tot mederegent en exclusieve erfgenaam van het Rijk, met de daaraan verbonden konings- en keizerstitels. In 814 werd Lodewijk koning van de Franken als opvolger van zijn vader. Hij regeerde vrijwel het gehele rijk zelf, alleen Italië heeft met Bernard (zoon van Pepijn) nog een eigen koning.
Het beleid van Lodewijk werd sterk bepaald door de invloed van zijn hovelingen (waaronder veel van zijn vertrouwelingen uit Aquitanië) en zijn echtgenotes. Hij begon een intensieve periode van wetgeving en staatkundige en kerkelijke hervorming. Lodewijk verplichtte alle kloosters de leefregels van Benedictus te volgen en hij moderniseerde de rechtspraak. Hij stuurde al zijn ongetrouwde (half)zusters naar het klooster om zo machtsvorming rondom toekomstige zwagers bij voorbaat te voorkomen. Zijn onwettige halfbroers liet hij met rust maar zijn neven (behalve Bernard) dwong hij ook om in het klooster te treden, hoewel die juist bijzonder trouw waren geweest. Zijn belangrijkste raadslieden waren graaf Bernard van Septimanië en Ebbo, de zoon van zijn min en dus een soort broer, die hij in 816 aartsbisschop van Reims werd. Hij hield ook ministers van zijn vader zoals Elisachar (abt van St Maximin te Trier) en Hildebold (aartsbisschop van Keulen) aan. In 815 maakte hij zijn zoons, Lotharius en Pepijn respectievelijk gouverneur van Beieren en gouverneur van Aquitanië. In 816 tenslotte werd Lodewijk door paus Stephanus, te Reims, tot keizer van het Westen gekroond.
Opstanden en conflicten
Conflicten tussen Lodewijk en zijn zoons, en tussen de zoons onderling, worden hieronder apart behandeld.
815: een opstand van de hertog van Gascogne, maar die werd verslagen en vervangen door Wolf III Centullus van Gascogne, die in 818 op zijn beurt zou worden vervangen
816: een opstand van de Sorben en de Obodriten wordt voor een paar jaar onderdrukt.
817: Vikingen plunderden langs de Elbe
818: onderwerping van Bretagne. Vikingen plunderden langs de Loire
820: campagne tegen de Arabieren in Spanje loopt op niets uit omdat de verantwoordelijke edelen (o.a. Hugo van Tours) de expeditie traineerden. Meerdere jaren van campagnes (samen met de Dalmatiërs) tegen de Kroaten hebben een wisselend succes, maar uiteindelijk werden de Kroaten verslagen. Vikingen plunderen in Vlaanderen.
822: Lodewijk begint uit politieke overwegingen de zendingsarbeid onder de Denen. Lodewijk maakt de paus weer meer afhankelijk van de keizer.
824: Lodewijk onderwierp Bulgaarse stammen in de Pannonische laagvlakte
827: Lodewijk verloor Pannonie aan de Bulgaren. Moren belegeren Barcelona
832: Moren hielden plundertochten tot bij Marseille en in het Rhônedal
een kerkelijke feestdag in 817 in Aken, stortte een houten loopbrug tussen het paleis en de kerk in. Ook Lodewijk was op die loopbrug aanwezig maar bleef ongedeerd, hoewel er veel slachtoffers vielen. Deze gebeurtenis was voor Lodewijk een van de redenen om zijn opvolging te regelen. In het document Ordinatio Imperii benoemde hij zijn oudste zoon Lotharius tot eerste erfgenaam en medekeizer en zijn andere zoons Pepijn (Aquitanië, Gascogne, Toulouse, Carcassonne, Autun, Avallon, Nevers) en Lodewijk (Beieren en aanliggende marken) en hun neef Bernard (Italië) tot onder-koningen. Hij probeerde hiermee te bereiken dat de eenheid van zijn rijk na zijn eventueel overlijden zou worden bewaard en dat zo een burgeroorlog zou kunnen worden voorkomen. In feite heeft Lodewijk door de benoeming van koningen in grensgebieden met sterke tegenstanders teruggegrepen op de staatsinrichting van Karel de Grote :
Pepijn tegen de Arabieren in Spanje
Bernard tegen de Arabieren en het Byzantijnse Rijk in Italië
Lodewijk tegen de Avaren en andere volken uit Oost-Europa
Opstand van Bernard
Bernard vond dat zijn positie door de Ordinatio Imperii was verzwakt en was bang dat hij uiteindelijk in een ondergeschikte positie ten opzichte van de zoons van Lodewijk zou worden gedwongen. Aan zijn hof werden wilde plannen gemaakt over een onafhankelijk koninkrijk en hij stuurde troepen om de Alpenpassen te bezetten. Lodewijk trok met zijn leger naar Chalon-sur-Saône en nodigde Bernard uit hem daar te bezoeken. Toen bleek dat een aantal van zijn belangrijke edelen een opstand niet zouden steunen, had Bernard geen keuze dan te gaan en zich uiteindelijk over te geven. Hij werd ter dood veroordeeld, maar daarna begenadigd. Wel werden zijn ogen uitgestoken. Nadat deze straf in Aken onoordeelkundig was uitgevoerd, stierf Bernard alsnog na twee dagen van ondragelijk lijden. Bisschop Theodulf van Orléans, een van de grootste geleerden van het rijk, werd van medeplichtigheid beschuldigd en opgesloten in een klooster, waar hij korte tijd later onder verdachte omstandigheden overleed. Het lot van Bernard en Theodulf bezorgde Lodewijk een groot schuldgevoel, dat hem de rest van zijn leven zou belastten. Hij zou de dood van zijn vrouw in 818 zien als een straf van god, hoewel er ook geruchten waren dat Ermengarde zelf de hand in de dood van Bernard had gehad.
In reactie op de opstand van Bernard dwong Lodewijk zijn halfbroers om toe te treden tot de geestelijkheid. In 822 deed Lodewijk voor zijn hof en voor de paus een publieke schuldbekentenis, waar hij de verantwoordelijkheid voor de dood van Bernard op zich nam. Hij beleed daarbij ook een aantal andere fouten en zonden. Dit was slecht voor zijn prestige onder de edelen. Hij liet zijn neven toen weer uit het klooster en gaf ze weer functies aan het hof.
Crisis (829 - 835)
Op aandringen van zijn tweede echtgenote, Judith benoemde Lodewijk in 829 hun zoon Karel tot hertog (niet koning, dus formeel geen inbreuk op de Ordinatio Imperii) van Alemannië (Elzas, Zwaben, Raetië en een deel van Bourgondië). Dit ging natuurlijk ten koste van het erfdeel van Lotharius. Op aandrang van Wala, een van de neven van Lodewijk, die weer uit het klooster was gelaten, en andere edelen die waren verdrongen door gunstelingen van Judith, begonnen de broers Lotharius, Pepijn en Lodewijk een opstand tegen hun vader en vooral ook tegen de invloed, die Judith op Lodewijk had. Ebbo en Hildwin steunden de opstand net als een aantal bisschoppen. Bernard van Septimanië, de belangrijkste hoveling en een bondgenoot van Judith, werd beschuldigd van overspel met Judith - hij zou misschien zelfs de vader van Karel zijn.
In 830 overtuigde Wala Pepijn van het gevaar van Bernard van Septimanië. Pepijn trok met een leger naar Parijs en ontmoette met zijn leger Lodewijk de Duitser even ten noorden van Parijs. Lodewijk de Vrome keerde terug van weer een campagne tegen Bretagne (juist begonnen om door een externe vijand te bestrijden de eenheid te bewaren) en ging naar Compiègne. Daar werd hij door Pepijn gevangengenomen. Judith werd in Poitiers gevangengezet en Bernard van Septimanië vluchtte naar Barcelona. Lotharius trok in 831 met een groot leger naar het noorden en riep in Nijmegen een rijksdag bijeen. Maar Lodewijk de Vrome had Pepijn en Lodewijk de Duitser een groter deel in de erfenis beloofd en ook de lokale edelen bleven trouw aan Lodewijk de Vrome. Op de rijksdag moesten de zoons hun vader weer als koning erkennen. Lotharius werd begenadigd maar werd wel naar Italië verbannen. Judith moest een eed zweren dat zij onschuldig was. Wala en andere belangrijke edelen en geestelijken die achter de opstand zaten werden verbannen. Het gebied van Pepijn werd uitgebreid tot aan de Somme. Het gebied van Lodewijk de Duitser werd uitgebreid tot aan de Rijn. Karel kreeg het tussenliggende gebied van de Moezel tot aan de Provence. Lotharius hield alleen Italië over.
In 832 werd Pepijn aan het hof ontboden, waar hij kil werd ontvangen, als gevolg waarvan hij het hof zonder toestemming van zijn vader verliet. Lodewijk de Vrome was bang voor een opstand en stuurde een leger naar Aquitanië. Ondertussen trok Lodewijk de Duitser Schwaben (wat volgens de regeling van 831 binnen zijn gebied viel) binnen met Slavische bondgenoten. Lodewijk de Vrome onderwierp Lodewijk de Duitser bij Augsburg en Pepijn bij Limoges. Hij was zo boos dat hij Pepijn en Lodewijk al hun gebieden ontnam. Vervolgens benoemde hij Karel tot koning van Aquitanië en wees de rest van het keizerrijk aan Lotharius toe. Die koos echter voor een machtsgreep, verbond zich met Pepijn en Lodewijk de Duitser en marcheerde in 833 naar het noorden. De legers van Lodewijk de Vrome aan de ene kant en de drie opstandige broers aan de andere kant, ontmoetten elkaar bij Colmar. Er werd dagenlang onderhandeld maar ondertussen hadden de broers, met hulp van de paus, een deel van het leger van Lodewijk omgekocht of overgehaald om hun kant te kiezen. Lodewijk beval zijn resterende troepen uiteindelijk om niet meer te vechten om een kansloos bloedbad te voorkomen, en werd gevangengenomen en opgesloten in de Sint-Medardusabdij te Soissons. De plaats van de veldslag, die niet doorging, ging de geschiedenis in als het Lügenfeld (niet van leugen, maar van lueg - hinderlaag - die de drie zoons hier tegen hun vader gespannen hadden door zijn soldaten om te kopen). Karel de Kale werd opgesloten in de abdij van Prüm en Judith in Tortona. Lodewijk de Vrome werd door een synode (onder voorzitterschap van Ebbo) in Soissons afgezet en moest te Compiègne een openbare schuldbekentenis doen. Hij werd in Reims symbolisch van de drempel van de kerk verbannen.
Lodewijk de Duitser (inmiddels getrouwd met een zuster van Judith) begon onder invloed van zijn familie en schoonfamilie weer toenadering tot Lodewijk de Vrome te zoeken. Uit boosheid over het gedrag van Lotharius en de vernedering van Lodewijk de Vrome kozen ook steeds meer edelen in Neustrië en Austrasië de kant van Lodewijk de Vrome. Lotharius werd gedwongen om zich terug te trekken op Bourgondië. In 834 wilde Lotharius de situatie van de Ordinatio Imperii van 817 herstellen, waarbij hij als keizer dus boven zijn broers zou staan. Pepijn en Lodewijk waren hier niet van gediend, want zij wilden vasthouden aan de verdeling van 831 (zonder Karel) en als zelfstandige koningen regeren, zij verdreven Lotharius naar Italië en maakten hun vader weer keizer. In 835 verloren de belangrijkste partijgangers van Lotharius hun ambten en een aantal van hen overleed tijdens een epidemie in Italië.
De crisis was voorbij, maar Lodewijk zou de rest van zijn regering voortdurend in conflict blijven met zijn zoons.
De laatste jaren
De laatste jaren van het bewind van Lodewijk werden gekenmerkt door steeds wisselende allianties met zijn zonen, waarbij die geregeld titels en gebieden kregen en weer kwijtraakten. Ook in deze jaren vonden gewapende confrontaties met zijn zoons plaats. De aanvallen van de Vikingen werden heftiger.
836 - Vikingen plunderden Utrecht en Antwerpen.
837 - Vikingen veroverden Nijmegen, maar werden door Lodewijk de Vrome verjaagd. Karel werd tot koning van Alemannië en Bourgondië gekroond. Dit ging vooral ten koste van Lodewijk de Duitser, die prompt in opstand kwam. Lodewijk de Vrome gaf in reactie alle gebieden van Lodewijk de Duitser behalve Beieren aan Karel.
838 - Vrede met de Vikingen. Lodewijk de Vrome beval de bouw van een Noordzee-vloot en stelde gezanten aan voor Friesland. Na het overlijden van Pepijn benoemde Lodewijk Karel ook tot koning van Aquitanië maar de edelen kozen Pepijns zoon: Pepijn II. Lodewijk dreigde met een aanval.
839 - Lodewijk de Duitser viel Schwaben binnen, Pepijn II trok naar de Loire. De Vikingen vielen Friesland binnen en plunderden Dorestad. Lotharius koos door bemiddeling van Judith nu de kant van Lodewijk de Vrome. Pepijn II werd verslagen en onterfd.
840 - Karel werd erkend als koning van Aquitanië. Lodwijk dreef Lodewijk de Duitser terug tot aan de Oostmark. Het keizerrijk werd door Lodewijk opnieuw verdeeld: Karel kreeg Neustrië en Aquitanië, Lodewijk de Duitser kreeg Beieren en de rest van het rijk was voor Lotharius.
Op 20 juni 840 overleed Lodewijk na een ziekte in de palts van Ingelheim, op een eiland in de Rijn. Lodewijk ligt begraven in de abdij van St Arnulph te Metz. Na drie jaar van spanning en strijd zouden zijn zoons uiteindelijk zelf bepalen hoe het rijk werd verdeeld.
Karolingische muntslag
De gebruikelijke munteenheid was de denier, ook wel Penning genoemd. De voorkant laat meestal een kruis zien, de achterkant een tempeltje. De zilveren denier (denarius) is al tijdens de Romeinse Republiek, dat wil zeggen, vanaf 223 v.Chr., in gebruik geweest. De ondergang van het West-Romeinse Rijk in 476 n.Chr. betekende ook het verdwijnen van de denarius. De vader van Lodewijk, Karel de Grote herintroduceerde de penning. De muntslag van Lodewijk de Vrome vond onder andere plaats in Utrecht, Dorestad en mogelijk Deventer.
Karakteristiek voor Lodewijk de Vrome is het randschrift "XPISTIANA RELIGIO".
| koning van Aquitanië, keizer en mederegent |
| Keizerin |
een godsoordeel voor een wezenlijke rij ksdeling wordt gezien ten gunste van zijn broers Lodewijk ‘de Duitser’ en Karel ‘de Kale’, die hun bondgenootschap bevestigen door in de wederzijdse talen voor hun aanhang afgelegde eden bij Straatsburg 14.2.842; sluit na langdurige onderhandelingen met hen het verdelingsverdrag van Verdun aug. 843, waarbij hij bij zijn langgerekte middenrijk wel de keizerstitel behoudt, maar daaraan geen suprematie over het West- en Oostfrankische rijk zal kunnen ontlenen; proclameert met beide broers in ‘fraternitas’ te zullen regeren Thionville okt. 844, maar krijgt een heftig geschil met Karel wanneer diens vazal Giselbert zijn dochter ontvoert 846, waarna pas vrede gesloten wordt (met legitimatie van het voltrokken huwelijk) Péronne jan. 849; verdeelt, ziek geworden, zijn rijk over zijn drie zoons; treedt in het klooster te Prüm 23.9, overl. 29.9.855 en begraven aldaar
Voorts had hij voor april 851 een relatie met Doda, overl. na 9.7.855, van onbekende herkomst en tussen 851 en 853 met een onbekende vrouw.
| koning der Franken en Lombarden |
Haar bruidsschat bestond uit vele rijke domeinen, waaronder de fisc van Cysoing; gelegen in het centrum van het land van Pévèle, een van de mooiste fiscs in de regio. Cysoing werd een van Gisela’s en Eberhards reguliere residenties. Ze stichtten er een klooster, dat echter pas na hun dood voltooid zou worden.
Het nonnenklooster San Salvatore in Brescia werd na de dood van Ermengarde, de echtgenote van keizer Lotharius I, aan haar gegeven. Zij diende daar vervolgens enige tijd als abdis en als rectrix.
Ook gaf hij de nog steeds bestaande mozaïeken aan de kathedraal van Aquileia. Ze bevatten (wat zeer opmerkelijk is voor die tijd) een kruisiging, de Heilige Maagd Maria, Sint George, het portret van Gisela en diverse allegorische figuren.
Ze wijdde zich aan de opvoeding van haar en Eberhards vele kinderen.
Politiek en militair
Als legeraanvoerder wist Eberhard een inval van de Bulgaren in Italië af te slaan. Daarop werd hij in 828 benoemd tot hertog van Friuli. Vervolgens is hij een trouwe bondgenoot van Lodewijk de Vrome in de conflicten tussen Lodewijk en zijn zoons, en trouwde in 836 met een dochter van Lodewijk, Gisela. Hierdoor verwierf hij grote bezittingen in Noord-Frankrijk, waaronder de koninklijke villa van Cysoing, en bezittingen in Italië. In 836 was Eberhard aanwezig op de rijksdag in Diederhofen en in 839 bemiddelde hij het verdrag van Worms tussen Lodewijk en zijn zoons. Ook na de dood van Lodewijk bleef Eberhard zich inzetten voor de vrede en was in 843 een van de bemiddelaars van het verdrag van Verdun. Daarna nam hij de leiding van de verdediging van Italië tegen de Saracenen op zich. In 851 wist hij de Saracenen een zware nederlaag toe te brengen. Eberhard probeerde persoonlijk om krijgsgevangen tot het christelijk geloof te bekeren, in Rome werd een dankdienst gehouden. In 858 was hij nog een ambassadeur van Lodewijk II van Italië bij Lodewijk de Duitser. In 863 legde hij zijn functie als hertog neer. In 866 maakte hij een testament in Treviso. Dit beschrijft goederen in Lombardije, Schwaben, de omgeving van Lille, Henegouwen en de Condroz, maar ook juwelen, relieken en boeken.
Cultureel
Eberhard werd opgevoed aan de hofschool van Karel de Grote. Hij verzamelde een grote bibliotheek en gaf opdrachten aan Lupus van Ferrières en Sedulius Scotus om Latijnse werken voor hem te schrijven. Ook stond hij in correspondentie met de bekende theologen en kerkelijke leiders, Godschalk, Rabanus Maurus en Hincmar.[1] In 854 bracht hij het gebeente van de heilige Calixtus van Rome over naar Cysoing en stichtte daar samen met zijn vrouw een abdij die aan de heilige was gewijd. Van Eberhard was bekend dat hij graag meezong in het koor. Eberhard en Gisela waren beroemd om hun vrome leven en hun goedheid. Eberhard heeft een groot aantal horigen hun vrijheid gegeven. Eberhard is heilig verklaard, hij werd begravan in de Sint Calixtusabdij te Cysoign.
Gisela werd na de dood van Eberhard abdis van San Salvatore te Brescia. Zij heeft mozaieken geschonken aan basiliek van Aquileia, waar ze ook zelf op voorkomt.
[bewerken] Leven en Loopbaan
In 861 nam Hendrik deel aan de mislukte opstand van Koenraad van Beieren tegen Lodewijk de Duitser. Dit bleef blijkbaar zonder ernstige gevolgen voor Hendrik want in 866 trad hij op als legeraanvoerder voor Lodewijk III tegen Moravië. In 871 kwam hij echter weer in conflict met Lodewijk toen die een vazal van Hendrik de ogen liet uitsteken, en zo inbreuk maakte op Hendriks bevoegdheden. Na de dood van Lodewijk de Duitser trad Hendrik pas in 880 weer op de voorgrond als aanvoerder tegen de opstandige Hugo, hertog van de Elzas.
Nadat Karel de Dikke koning van geheel Oost-Francië was geworden, werd Hendrik zijn legeraanvoerder. In 882 leidde hij de veldtocht tegen Godfried de Noorman die met een leger van Vikingen was gelegerd bij Asselt. Voordat het tot een echte veldslag kwam, werd er echter een akkoord gesloten waarbij de inval van Godfried werd afgekocht met een geldbedrag en met graafschappen in Friesland. Het jaar daarop bevocht Hendrik de Vikingen echter alweer in de omgeving van Prüm. In 885 rekende Hendrik definitief af met Godfried de Noorman en Hugo van de Elzas. Zijn soldaten vermoordden samen met de lokale graven Gerulf en Everhard Saxo, Godfried tijdens een feestelijke bijeenkomst in Spijk waar Hugo gevangen werd genomen.
Toen Karel de Dikke in 884 ook koning van West-Francië was geworden, werd Hendrik belast met de verdediging van Neustrië tegen de Vikingen. In 886 probeerde hij Parijs te ontzetten toen die stad door de Vikingen werd belegerd. Hendrik moest zich terugtrekken maar toen Karel de Dikke zich met versterkingen bij hem voegde, trok hij weer naar Parijs. Hendrik werd toen tijdens een schermutseling gedood. Hij ligt begraven in de abdij van Sint-Medardus te Soissons waar ook veel leden van het Merovingische koningshuis zijn begraven.
Thankmar, overleden voor Otto
Liudolf, overleden voor Otto, vader van Ekkehard, van hem stammen een aantal markgraven van Meißen af.
Barbara, gehuwd met Hendrik, de stamvader der Oostenrijkse markgraven (volgens andere bronnen de vader van Otto’s echtgenote)
Oda (ca. 884 - 2 juli na 952), gehuwd (Worms, 897) met koning Zwentibold, (900) Gerhard van de Metzgau en met (na 910) Eberhard van de Oberlahngau. Zij overleefde al haar echtgenoten die allen in een veldslag om het leven kwamen.
Liutgard, 919-923 abdis van Gandersheim
mogelijk Irminburg, (ovl. voor 936), gehuwd met Siegfried, zoon van markgraaf Thietmar van Meißen.
| koning der Franken en Lombarden |
Judith (ca. 844-na 870), was eerst gehuwd met Engelse koningen en leefde als weduwe aan het hof van haar vader. Werd daar in 861 (ze was dus nog geen 20 jaar oud) geschaakt door Boudewijn I van Vlaanderen. Karel wendde al zijn invloed aan om te voorkomen dat ze ergens onderdak zouden krijgen. Uiteindelijk vluchtten Judith en Boudewijn naar Rome, waarna de paus een verzoening wist te bemiddelen.
Lodewijk II van West-Francië (846-879).
Karel (ca. 847 - Buzzancais, 29 september 866) begraven te Bourges. 855 gekozen tot koning van Aquitanië, trouwde 862 tegen de zin van zijn vader met de weduwe van de graaf van Bourges. Verloor daarom zijn titel maar kreeg die terug nadat het huwelijk was geannuleerd. Kreeg ernstig hersenletsel en overleed daaraan na twee jaar.
Carloman de Blinde ( - Echternach, ca. 877), in 854 ingetreden in de geestelijke stand. abt van Saint-Medard te Soissons in 860. Nam deel aan een samenzwering tegen zijn vader in 870, verloor zijn abdijen en moest vluchten. In 873 door West-Frankische bisschopen uit de kerk gezet en daarna werden op bevel van Karel zijn ogen uitgestoken. Hij werd opgesloten in de abdij van Corbie maar ontsnapte naar Lodewijk de Duitser, die hem abt van Echternach maakte.
Lotharius ( - Auxerre, 865), vanaf zijn geboorte verlamd, abt van Moutier-Saint-Jean en later van de Abdij van Sint-Germanus van Auxerre.
Hildegardis.
Ermentrudis, ( - na 877) abdis van Hasnon en Oosterbant.
Gisela.
Rothrudis ( - na 889), abdis van Sainte-Radégonde te Poitiers en van Andlau.
Boudewijn is bekend als grondlegger van het graafschap Vlaanderen en doordat hij met kerstmis 861 de koningsdochter Judith van West-Francië van het hof van haar vader Karel de Kale schaakte. De 17-jarige Judith was al twee keer weduwe en was teruggekeerd naar het hof van haar vader. Die wilde haar natuurlijk een derde keer gunstig uithuwelijken, maar ze vluchtte met Boudewijn, die toen al een bekende vechtjas was, van het hof dat voor de viering van kerst naar Senlis was getrokken. Het stel werd daarbij geholpen door Judiths broer Lodewijk de Stamelaar, die steeds in conflict was met zijn vader. Het stel vluchtte naar het noorden maar Karel stuurde brieven aan Rorik van Dorestad en bisschop Hunger van Utrecht dat zij de vluchtelingen geen onderdak mochten geven. Karel liet het paar door bisschoppen excommuniceren maar ze trokken naar Rome en bepleitten hun zaak bij de paus. Die maakte de excommunicatie ongedaan en verzoende Judith en Boudewijn met Karel. Op 13 december 863 volgde het officiële huwelijk te Auxerre. Karel was niet aanwezig bij het huwelijk.
Als onderdeel van de verzoening kreeg Boudewijn het bestuur over de pagus Flandrensis het gebied rond Torhout, Gistel, Oudenburg en Brugge. Dit was in de ogen van Karel waarschijnlijk een onbetekenende functie: Vlaanderen lag in een uithoek van zijn koninkrijk en werd geteisterd door de Vikingen. Boudewijn bleek echter een succesvol bestuurder. Hij wist de invallen van de Vikingen te stoppen en bouwde daarvoor versterkingen in Arras, Gent en Brugge. In Brugge bouwde hij een kerk die was gewijd aan Donatianus van Reims en gaf relieken van de heilige aan de kerk. In Veurne stichtte hij een Benedictijner klooster en schonk het relieken van heilige Walburgis. In 870 werd zijn bezit uitgebreid en was hij heer van geheel Vlaanderen en Ternois, hetzelfde jaar werd hij lekenabt van Sint Pieter in Gent. In 877 steunde hij Lodewijk de Stamelaar bij de opvolging van Karel de Kale. Kort daarna trok hij zich terug en werd monnik in de abdij van Sint-Bertinus, waar hij ook is begraven.
Familie
Traditioneel wordt Odakar III van de Morinen als zijn vader gezien maar Odaker (als vader van Boudewijn) en zijn voorouders worden tegenwoordig als speculatief beschouwd omdat dit alleen is gebaseerd op teksten uit de twaalfde eeuw. Een andere theorie is dat Boudewijns vader wel Odaker heette maar een lagere hoveling was.
Boudewijn en Judith hadden vier kinderen:
Karel, geb. ca. 864, jong gestorven
Boudewijn
Rudolf van Cambrai
vermoedelijk nog een dochter, de kronieken van het klooster van Waulsort vermelden bij de dood van Rudolf van Cambrai dat Wouter, de zoon van Rudolfs zuster, probeerde hem te wreken.
Gunhilda, gehuwd in 877 met Wilfred I el Velloso, graaf van Urgel en Barcelona, wordt ook vaak als dochter van Boudewijn en Judith genoemd maar dit is gebaseerd op een verkeerde interpretatie van een middeleeuwse tekst. Zij was afkomstig uit de omgeving van Barcelona.
De legende van de Brugse Beer
Het Brugse Beertje van de loge verwijst naar de schaking van Judith: wanneer Boudewijn met Judith in Vlaanderen terugkeerde, werden zij in het bos aangevallen door een reusachtige witte beer (een bruine beer wit van sneeuw), volgens de legende "de oudste bewoner van Brugge". Deze beer was al eerder gesignaleerd omdat hij de omgeving onveilig maakte. Reizigers die zich buiten de muren van Brugge waagden, werden vaak door de beer aangevallen. En dus ook Boudewijn I. Hij wierp zich zonder aarzelen in de strijd met de beer. Niemand durfde dichterbij te komen, ook niet om hun leenheer te helpen. Op een bepaald moment stelde de beer zich recht op zijn achterste poten en ging met zijn rug tegen een boom staan om zo met meer kracht opnieuw aan te vallen. Maar net op dat moment sprong Boudewijn vooruit en doorboorde de beer met zijn lans. De stoot was zo hevig en krachtig dat de lans zich door de beer onwrikbaar in de boom vaststak. Boudewijn was zijn naam met den ijzeren arm dus waardig. Toen later Boudewijns aanstelling als nieuwe leenheer gevierd werd, schonk de stad Brugge hem een gebeeldhouwde, rechtopstaande beer. Die (of een andere versie ervan) is vandaag nog te zien op de gevel van de Poortersloge aan het Jan van Eyckplein in Brugge. Dit was van 1417 tot 1488 het lokaal van Het Genootschap van de Witte Beer, een selectieve steekspelvereniging die toernooien en steekspelen organiseerde.
Boudewijn werd graaf als opvolger van zijn vader en kreeg direct te maken met een periode van invallen van de Vikingen:
879 Terwaan
880 Gent
881 Doornik
882 Cambrai en Arras
883 Boulogne, Sint-Omaars, Saint-Riquier, Veurne, Terwaan, Gent en Atrecht. Boudewijn moest in de moerassen van Sint-Omaars zijn toevlucht zoeken.
884 Boudewijn trouwde met een dochter van Alfred de Grote, vermoedelijk om zo meer steun tegen de Vikingen te krijgen
885 de Vikingen bouwen een versterking in Condé
886 de Vikingen bouwen een versterking in Kortrijk
Boudwijn wist langzaam het verloren terrein terug te winnen maar de Vikingen werden pas verjaagd nadat ze in 892 bij de slag aan de Dijle (op de plaats waar nu Leuven ligt) door koning Arnulf van Karinthië waren verslagen. Boudewijn bouwde versterkingen om zijn graafschap tegen de Vikingen te kunnen beschermen in: Ieper, Kortrijk, Sint-Winoksbergen, Sint-Omaars, Brugge en Gent.
Opbouw van het graafschap
In 888 steunde Boudewijn de keuze van Odo I van Frankrijk tot koning van West-Francië. Hij kreeg echter direct een conflict met Odo over de abdij van Sint-Bertinus in Sint-Omaars. Odo achtervolgde Boudewijn tot aan Brugge maar kon de stad niet innemen. Als reactie daarop trok Boudewijn nog in datzelfde jaar naar Arnulf van Karinthië in Worms en vroeg hem om ook koning van West-Francië te worden, maar Arnulf sloeg die uitnodiging af. Toen in 892 de abt van Sint-Bertinus overleed, wachtte Boudewijn niet op de formele procedures maar bezette de abdij.
Boudewijn was een van de edelen die de kroning van Karel de Eenvoudige tot koning van West-Francië steunden maar tegelijkertijd zocht hij ook toenadering tot Zwentibold die in 895 tot koning van Lotharingen was benoemd. Door handig te opereren in het spanningsveld tussen Karel en Zwentibold wist Boudewijn zijn positie te versterken. In 896 verkreeg hij het graafschap Boulogne. Boudewijn liet zijn broer Rudolf Péronne en de Vermandois binnenvallen, die toen net aan Herbert I van Vermandois waren toegewezen. Herbert wist Rudolf echter in een hinderlaag te doden en het Vlaamse leger werd teruggedreven. Toen de koning in 900 bisschop Fulco van Reims, een bondhenoot van Herbert, benoemde tot abt van Sint-Bertinus, kon Boudewijn dit niet accepteren en hij liet Fulco vermoorden. Boudewijn werd daarop geëxcommuniceerd maar Karel de Eenvoudige was niet in staat om strafmaatregelen door te voeren. Omdat de politieke situatie voor Boudewijn nu niet erger kon worden, had hij geen belemmering meer om Artesië met inbegrip van de rijke abdij van Sint-Vaast te veroveren. Ook liet Boudewijn door een sluipmoordenaar Herbert van Vermandois vermoorden.
Met zijn harde en gewelddadige politiek had Boudewijn in de jaren na 900 zijn positie en die van zijn graafschap veilig gesteld. De laatste periode van zijn bewind tot zijn dood in 918 is rustig verlopen. Boudewijn werd begraven in de abdij van Sint-Bertinus maar werd na de dood van zijn vrouw (929) bij haar begraven in de Sint-Pietersabdij van Gent.
Familie
Boudewijn II was de zoon van Boudewijn I en van Judith. In 884 huwde hij Aelfryth van Wessex (ook Aelftrud of Elfrida) (Wessex, 868 - 7 juni 929), dochter van Alfred de Grote, koning van Engeland van 871 tot 899, en van Ealhswith van de Gaini. Boudewijn en Aelftrud kregen de volgende kinderen:
Arnulf I de Grote, graaf van Vlaanderen
Adalolf (of Adelulf, Aethelwulf) (ca. 895 - 13 november 933), graaf van Boulogne en van Terwaan, lekenabt van Sint-Bertinus
Ealswid
Ermentrude
Abt Hildebrand van Sint-Bertinus en Sint Vaast, was een zoon van Ealswid of Ermentrude, of van een onbekende zuster.
| van 879 tot 918 graaf van Vlaanderen en van 896 tot 918 graaf van Boulogne. |
Politiek van expansie
Na de dood van zijn vader Boudewijn II erfde Arnulf het grootste (noordelijke) deel van het graafschap, zijn broer Adalolf erfde het zuidelijke deel. Arnulf vocht in 923 aan de kant van Karel de Eenvoudige in de slag bij Soissons. In 924 veroverde hij samen met zijn broer Adalolf en Herbert II van Vermandois de stad Eu (Seine-Maritime) op de Vikingen. Arnulf versloeg de Vikingen nog een keer in 926 maar gaf in 928 het graafschap Guînes in leen aan de Deen Siegfried en gaf hem later zijn dochter tot vrouw.
Vanaf 930 kwam het tot een krachtmeting met Herbert II van Vermandois. Om diens expansie te beteugelen veroverde Arnulf in 931 Dowaai en Mortagne-du-Nord. In 932 verwierf Arnulf het graafschap Artois en versterkte de abdij van Sint-Vaast. Na het overlijden van zijn broer in 933 eigende hij zich diens graafschappen van Terwaan en Boulogne toe, met voorbijgaan aan de rechten van zijn minderjarige neefjes. Hij adopteerde wel Adalolfs onechte zoon Boudewijn. In 934 kwam het tot een vrede met Herbert en trouwde Arnulf in 934 met Herberts dochter Adelheid. Dit bezegelde niet alleen een vrede maar ook een bondgenootschap tegen Hugo de Grote.
Na de vrede met Herbert kon Arnulf zich richten op de Vikingen uit Normandië. In 939 veroverde hij de stad Montreuil (Pas-de-Calais) op Herluinus II van Ponthieu om de invallen van de Normandiërs tegen te gaan maar de Normandische troepen wisten de stad snel te heroveren. In 942 nodigde Arnulf graaf Willem I van Normandië uit voor een bespreking te Picquigny om de kwestie Montreuil te regelen. Daar aangekomen werd Willem echter door mannen van Arnulf vermoord. In 949 kreeg Arnulf Montreuil definitief in handen. Vervolgens bracht Arnulf een bondgenootschap tot stand met Lodewijk van Overzee en Otto I de Grote, tegen Normandië. De coalitie belegerde Rennes maar de jeugdige Normandische graaf Richard wist het bondgenootschap uiteen te spelen, en Arnulf trok zich terug naar Vlaanderen. Uit wraak plunderde het leger van Otto Vlaanderen en liet die een kasteel bouwen in Gent, waar hij een burggraaf plaatste. Na de verzoening tussen Arnulf en Otto kreeg Arnulf het kasteel in handen en liet hij de burggraaf met een van zijn dochters trouwen. Arnulf verwierf nadien ook Amiens, Oosterbant en werd lekenabt van de abdij van Sint-Bertinus in Saint-Omer.
Politiek van consolidatie
Om zijn grenzen te verzekeren huwde Arnulf al zijn dochters uit aan zijn Lotharingse buren en hoge Duitse adel. Politiek koos hij steeds positie tegen de graven van Normandie en de hertogen van de Franken. Hij voerde kloosterhervormingen door met hulp van Gerardus van Brogne en regeerde vooral met hulp van de geestelijkheid, en zoveel mogelijk zonder vazallen.
In 958 benoemde Arnulf zijn zoon Boudewijn tot medegraaf en ging hij feitelijk met pensioen (ongeveer 70 jaar oud). Nadat Boudewijn in 962 op jonge leeftijd overleed, kwamen de zoons van Adalof in opstand en herwonnen de graafschappen van hun vader. Arnulf sloot toen een overeenkomst met koning Lotharius van Frankrijk: In ruil voor al zijn veroveringen zou Lotharius de opvolging van zijn jonge kleinzoon in het oorspronkelijke graafschap garanderen. Arnulf steunde nog de bisschop van Kamerijk tegen zijn opstandige stedelingen en kreeg in ruil daarvoor de kerkelijke bezittingen bij Lambres. Volgens een overlevering zou Arnulf zijn vermoord door een nakomeling van Herluinus II van Ponthieu.
Arnulf stichtte de kerk van Torhout, het Sint-Donatianus kapittel te Brugge, de Sint-Janskapel te Gent en herbouwde de abdij van Saint-Amand. Arnulf is begraven in de Sint-Pietersabdij (Gent).
| graaf van Vlaanderen van 918 tot zijn dood in 965. |
Lodewijk was een zoon van Karel de Kale en Ermentrudis van Orléans. Hij was zwak en ziekelijk, en hield van vrede en rechtvaardigheid. Doordat hij stotterde had hij veel moeite om serieus genomen te worden als toekomstige koning. Ook had hij een slechte verstandhouding met zijn vader, die weigerde om hem een functie met werkelijke inhoud te geven.
In 856 werd hij verloofd met een dochter van Erispoë en werd hij formeel benoemd tot onderkoning van Neustrië en graaf van Le Mans. Na een opstand in Bretagne werd de verloving echter verbroken en moest Lodewijk naar het hof van zijn vader vluchten. In 861 moest hij het hof van zijn vader juist ontvluchten omdat hij zijn zuster Judith had geholpen weg te lopen met de latere Boudewijn I van Vlaanderen. Het volgende jaar begon Lodewijk een opstand tegen zijn vader met hulp van de Neustrische adel. Ook trouwde hij in 862 met zijn eerste vrouw, tegen de wil van zijn vader. Later in 862 verzoenden Lodewijk en Karel zich, en Lodewijk werd benoemd tot gouverneur van Neustrië en graaf van Meaux. In 867 werd hij benoemd tot koning van Aquitanië maar veel van zijn bevoegdheden worden door zijn vader aan andere edelen gegeven. In 875 trouwde Lodewijk onder druk van zijn vader opnieuw, maar verstootte zijn eerste vrouw pas in 876-877.
Koning
Na het overlijden van zijn vader in 877 gaf Lodewijk grote bezittingen weg aan de adel om zijn positie te verzekeren. Er ontstond bijna een burgeroorlog toen het leger dat uit Italië terugkeerde merkte wat het was misgelopen. Na bemiddeling door aartsbisschop Hincmar van Reims werd Lodewijk op 8 december door hem gekroond te Compiègne. De kroning werd op 8 september 878 herhaald door paus Johannes VIII te Troyes, die echter weigerde om Lodewijks tweede vrouw te kronen omdat hij hun huwelijk als ongeldig beschouwde. De kinderen uit het tweede huwelijk werden (in ieder geval door de kerk) lange tijd als onwettig beschouwd.
Tijdens een samenkomst met zijn neef Lodewijk de Jonge van Oost-Francië tekende Lodewijk het verdrag van Meersen te Voeren (Fr: Fourons) op 1 november 878 en bereidde (voordat een verdergaande samenwerking met de overige Karolingische vorsten werd bereikt) een veldtocht voor tegen de Vikingen aan de Loire en het opstandige zuiden van zijn rijk. Lodewijk moest echter ziek terugkeren naar Compiègne. Hij overleed te Compiègne op Goede Vrijdag 10 april 879 en werd op 11 april aldaar begraven in het klooster van Notre-Dame.
Lodewijk werd opgevolgd door zijn twee oudste zoons uit zijn eerste huwelijk.
Lodewijk II huwde op 1 maart 862 met Ansgardis van Bourgondië (ca. 840 - 2 november 880/882), een dochter van Graaf Harduin. Uit dit huwelijk werden geboren:
Lodewijk III der Franken (ca. 863 – 5 augustus 882)
Carloman der Franken (ca. 867 – 6 december 884)
Gisela der Franken (ca. 870 - 12 december 884), gehuwd met Robert van Troyes
Hildegard (ovl. na 896)
Omstreeks 875 huwde Lodewijk II met Adelheid van Parijs (853 – ca. 10 november 901) (dochter van Paltsgraaf Adalhard). Uit dit huwelijk werden geboren:
Irmtrud der Franken, (ca. 877 - ca. 910)
Karel III ’de Eenvoudige’ van West Francië (17 september 879 – Péronne, 7 oktober 929), dus na de dood van zijn vader geboren, gehuwd met Eadgifu van Engeland, dochter van Edward de Oudere
| erfdochter |
| Voogd St. Pietersabdy te Gent |
| Ridder |
| Heer van Aalst, Waas, Drongen en Ruiselede, ridder en voogd van St. Pieters. |
| Ridder |
| (deelerfgename van Chiévres) |
| Ridder | ||||
| boutelgier van Vlaanderen en ridder |
| vrouwe van Groot-Aalst |
| •Heer van Chievres, Liedekerke etc en ridder |
Kundigonde werd in 1200 heilig verklaard door paus Innocentius III. Zij is beschermheilige van Luxemburg, Litouwen en Polen. Haar feestdag is op 3 maart.
Hij was een postume zoon van Lodewijk de Stamelaar en van diens tweede echtgenote Adelheid van Parijs. Door zijn jonge leeftijd, de twijfels over de geldigheid van het huwelijk van zijn ouders (wegens mogelijke bloedverwantschap) en doordat politieke tegenstanders geruchten verspreidden dat Lodewijk helemaal zijn vader niet was, werd hij meerdere malen gepasseerd voor het koningschap. In 888 werd er zelfs een koning gekozen die geen Karolinger was: Odo, graaf van Parijs. Karel verbleef in zijn jongste jaren veilig aan het hof van de machtige hertog Ranulf II van Poitiers. Op 28 januari 893 werd de dertienjarige Karel met steun van Arnulf van Karinthië door bisschop Fulco van Reims, Herbert I van Vermandois en Pepijn van Senlis, in Reims tot tegenkoning uitgeroepen. Maar toen Arnulf korte tijd later weer de kant van Odo koos, werd Karels positie onhoudbaar. In 895 moest Karel naar Bourgondië vluchten. Door bemiddeling van Zwentibold van Lotharingen werd er echter een overeenkomst bemiddeld: Karel erkende Odo als koning, en Odo wees Karel aan als zijn opvolger. In 896 hield Karel nog een bespreking met de koningen Lambert van Italië en Rudolf I van Bourgondië te Remiremont. Na de dood van Odo op 1 januari 898 werd Karel, zoals overeengekomen, koning van West-Francië. Hij had echter weinig macht, de hertogen en de belangrijke graven waren stuk voor stuk praktisch onafhankelijk en machtiger dan hun koning.
Politiek succes
De aanvallen van Vikingen waren een steeds terugkerend probleem in West-Francië. Maar toen de Vikingen in 911 de stad Chartres belegerden werden ze verslagen door Ebalus van Aquitanië, Richard I van Bourgondië en Robert van Parijs. Karel sloot daarop het akkoord van Saint-Clair-sur-Epte met de Vikingleider Rollo. De locatie van Saint-Clair-sur-Epte was gekozen omdat het halverwege Parijs en de kust lag. Als onderdeel van het verdrag werd aan Rollo het gebied dat later het hertogdom Normandië zou vormen, in leen gegeven. In ruil zou hij de toegang tot de Seine verdedigen tegen aanvallen door andere Vikingen.
In 911 werd hij ook in Lotharingen tot koning uitgeroepen omdat de Lotharingse edelen, na het overlijden van de Duitse koning Lodewijk IV het Kind, de keuze van de nieuwe Duitse koning (hertog Koenraad I van Frankenland), niet wilden steunen. Daarna noemt Karel zichzelf "rex Francorum" (koning van de Franken), en sprak daarmee de pretentie uit dat hij koning van het gehele oude Frankische Rijk zou moeten zijn. In 912 leverde Karel drie veldslagen tegen Koenraad, die Lotharingen niet wilde opgeven, en veroverde de Elzas.
Achteruitgang
In het jaar 915 overleden Reinier I van Henegouwen en bisschop Radbod van Trier. Na het wegvallen van deze twee machtige edelen dacht Karel de autonomie van Lotharingen in te kunnen perken maar kon zijn plannen niet doorvoeren door de weerstand van de Lotharingse adel. Als gevolg daarvan ging Karel steeds meer vertrouwen op zijn Lotharingse adviseur Haganon, die een neef van hem zou zijn. Met name in West-Francië leidde de steeds grotere invloed van Haganon tot weerstand. In 919 vielen de Hongaren Karels koninkrijk binnen maar zijn vazallen negeerden zijn oproep om een gezamenlijk leger te vormen. In 920 werd Karels positie zo benauwd dat hij zijn toevlucht moest zoeken bij de bisschop van Reims. Giselbert II van Maasgouw verklaarde Lotharingen onafhankelijk van Karel maar uiteindelijk wist Karel de macht over Lotharingen te behouden wat eruit blijkt dat hij nog in 920 in staat was om een nieuwe bisschop van Luik te benoemen. Datzelfde jaar probeerde Karel nog te profiteren van het overlijden van koning Koenraad door een veldtocht naar Duitsland maar hij kwam niet verder dan Worms. Op 11 november 921 moest Karel in Bonn een verdrag sluiten met Hendrik de Vogelaar waarbij de bestaande grenzen werden bevestigd en de koningen elkaar als gelijkwaardig erkenden (hoewel Hendrik geen Karolinger was).
Verlies van het koningschap
In 922 schonk Karel de abdij van Chelles aan Haganon. Dit klooster was traditioneel aan de hoge adel en de koningen verbonden, en daarom was deze schenking onverteerbaar voor de West-Frankische adel. Er brak een opstand uit en Robert van Parijs (broer van Odo) werd gekozen tot tegenkoning. Na enkele korte gevechten rond Reims en Laon moest Karel naar Lotharingen vluchten. Daar verzamelde hij een leger om tegen Robert te vechten. De schenking op 15 juni 922 van goederen te Egmond aan de Friese graaf Dirk I moet waarschijnlijk in dit licht worden gezien. Op 15 juni 923 werd Karel verslagen in een veldslag bij Soissons, hoewel Robert werd gedood. Roberts schoonzoon Rudolf I van Frankrijk werd gekozen tot koning. Karel werd uitgenodigd voor onderhandelingen in Saint-Quentin (Aisne) maar werd daar door Herbert II van Vermandois (een zwager van de dode koning Robert) gevangengenomen en opgesloten in Péronne (Somme). Karels vrouw Eadgifu vluchtte met haar zoon naar haar familie in Engeland. In 928 werd Karel nog voor korte tijd vrijgelaten omdat dit paste in de politieke doelen van Herbert, maar daarna weer opgesloten. Karel overleed in gevangenschap en werd begraven in de St Fursy te Péronne.
Huwelijken en kinderen
Karel was in zijn eerste huwelijk (in april 907) gehuwd met Frederune (- 10 februari 917), de zus van de bisschop van Châlons-en-Champagne en mogelijk ook zus van Mathildis van Ringelheim. Zij kregen de volgende kinderen:
Ermentrudis, gehuwd met Godfried, paltsgraaf van Lotharingen
Frederuna
Adelheid, gehuwd met Rudolf II van Vexin
Gisela, gehuwd met de Vikingaanvoerder Rollo
Rotrude
Hildegarde
Later trouwde hij (917 - 919) met Eadgifu van Engeland (ook Hedwig van Wessex genaamd), dochter van Eduard de Oudere. Uit dit huwelijk is geboren:
Lodewijk van Overzee (920-954), gehuwd met Gerberga van Saksen (914-984).
Zij hertrouwde in 951 met Herbert III van Vermandois.
Bij verschillende minnaressen had Karel de volgende kinderen:
Arnulf
Drogo
Rorico (- 20 december 976), bisschop van Laon, begraven in de St Vincent te Laon
Alpais
| koning van West-Francië van 898 tot 922 en koning van Lotharingen van 911 tot 923 |
Irmintrud, in 908-909 gehuwd met Gottfried paltsgraaf van Lotharingen (- 950)
Frederuna
Adelheid
Rotrud
Hildegard.
Frederune was zeer vroom en werd tenslotte door haar man verlaten. Zij overleed in Lotharingen.
Zij was een dochter van koning Eduard van Engeland en diens tweede echtgenote Ælfflæd. Zij trouwde (917-919) met koning Karel III van Frankrijk, als zijn tweede echtgenote. Hedwig schonk hem de lang verwachte zoon, Lodewijk IV. Toen Karel in 923 werd gevangengenomen door Herbert II van Vermandois vluchtte Hedwig naar haar halfbroer, koning Aethelstan van Engeland.
In 936 kon Hedwig met haar zoon terugkeren en werd Lodewijk tot koning gekroond. Hedwig werd abdis van het klooster van Notre-Dame in Laon. In 951 verliet ze het klooster om te trouwen met Herbert III van Omois, een zoon van Herbert II van Vermandois. Haar zoon Lodewijk was hierover zo boos dat hij haar bezittingen afnam. Hedwig werd begraven in de abdij van St Medardus in Soissons.
| koninging van West-Francië. |
Hij was pas twee jaar, toen zijn vader als koning werd afgezet en vervangen door Robert I van Frankrijk. Het jaar nadien al stierf Robert I, die werd opgevolgd door Rudolf, hertog van Bourgondië. Een medestander van Robert I, graaf Herbert II van Vermandois, nam Lodewijks vader gevangen. Lodewijks moeder bracht hem in veiligheid "over zee" ("outre-mer"), naar haar familie in Engeland. Hij hield er zijn bijnaam aan over. Karel stierf in 929 en Rudolf regeerde nog tot zijn dood in 936. Hugo de Grote (een zoon van Robert I van Frankrijk) besloot dat het handiger was om niet zelf koning te worden maar een zwakke koning op de troon te plaatsen waardoor hij zelf vooral zijn eigen belangen kon behartigen. Hugo vormde een groep van hoge edelen die Lodewijk uitnodigde om koning te worden. Koning Athelstan van Engeland onderhandelde eerst uitgebreide veiligheidsgaranties voor zijn neef voordat hij hem liet terugkeren. Lodewijk landde in 936 te Boulogne en werd daar door Hugo en de ander West-Frankische edelen gehuldigd. Nadat Hugo voor zichzelf een bevoorrechte positie had onderhandeld, werd Lodewijk op 19 juni 936 in Laon gekroond door Artaldus, de aartsbisschop van Reims. Zijn macht beperkte zich tot Laon en enkele plaatsen in het noorden van Frankrijk maar geleidelijk verwierf Lodewijk een wat sterkere positie.
In 939 bood hertog Giselbert van Lotharingen aan om Lodewijk als koning te huldigen. Giselbert voelde zich namelijk steeds meer in het nauw gebracht door de politiek van zijn zwager, de nieuwe koning Otto van Duitsland, die de macht van de hertogen steeds verder inperkte ten gunste van zijn eigen positie. Lodewijk durfde dit aanbod echter niet aan te nemen. Later in dat jaar kwam Giselbert echter met twee andere hertogen in opstand tegen Otto. Toen die de Rijn overstaken trok Lodewijk met een leger naar de Elzas om de opstandelingen te helpen, maar die waren al verslagen bij de oversteek van de Rijn en Giselbert was verdronken toen hij over de Rijn probeerde te vluchten. Lodewijk trouwde direct met de weduwe van Giselbert, Gerberga van Saksen, en eiste de heerschappij over Lotharingen op. Lodewijk had ook een historisch recht op Lotharingen omdat zijn vader tot 923 koning van Lotharingen was geweest. Door dit huwelijk werd Lodewijk verwant aan Otto (broer van Gerberga) en Hugo de Grote (getrouwd met Gerberga’s zuster Hedwig van Saksen).
In 940 trok Otto met een leger naar het westen om orde op zaken te stellen. Lodewijk kon niet anders dan zich terugtrekken en Lotharingen op te geven. Hugo de Grote en Herbert II van Vermandois erkenden Otto als hun koning. Hugo en Herbert belegerden in 941 Laon, dat door de zwangere Gerberga werd verdedigd. Lodewijk probeerde haar te ontzetten maar werd vernietigend verslagen. Otto dwong ondertussen Hugo de Zwarte van Bourgondië, Lodewijks enige bondgenoot van betekenis, om zich terug te trekken. Door bemiddeling van Gerberga sloten Otto, Lodewijk en Hugo in 942 vrede te Visé. Lodewijk geeft daarbij formeel zijn aanspraken op Lotharingen op.
In 943 versloeg Lodewijk Vikingen uit Normandië die waren teruggekeerd naar het heidendom. Twee jaar later wisten de Normandiërs Lodewijk gevangen te nemen maar een jaar later wist Gerberga zoveel druk vanuit Engeland, Duitsland en de paus te organiseren dat hij werd vrijgelaten. Wel moest Gerberga in ruil voor Lodewijk een van hun zoons als gijzelaar geven. In 946 veroverden Lodewijk en Otto gezamenlijk de stad Reims op Hugo van Vermandois. In 948 liep de spanning met Hugo de Grote verder op. Lodewijk was in staat om in 948 zijn kandidaat tot bisschop van Reims te laten benoemen en bereikte zelfs de excommunicatie van Hugo. Albert I van Vermandois, de broer van Hugo van Vermandois, erkende Lodewijk als koning. In 949 veroverde Lodewijk de stad Laon op Hugo de Grote, hoewel het fort van Laon in handen van Hugo bleef. Door bemiddeling van Koenraad de Rode, hertog van Lotharingen, kwam in 950 een verzoening tussen Lodewijk en Hugo tot stand en gaf Hugo het fort van Laon op. Hun onderlinge wantrouwen was echter nog zo groot dat ze in 951 niet in staat waren om tezamen een inval van Hongaren vanuit Italië af te slaan. Daardoor kwam het wel tot een definitieve verzoening, later dat jaar op de landdag te Soissons. Lodewijk overleed op zijn verjaardag, aan de gevolgen van een val van zijn paard tijdens een jachtpartij. Hij is begraven in de kathedraal van Reims.
Lodewijk trouwde in 939 met Gerberga, dochter van Hendrik de Vogelaar en Mathildis van Ringelheim. Zij kregen de volgende kinderen:
Lotharius (941 † 986)
Mathildis, (943 - 992), in 964 gehuwd met Koenraad van Bourgondië, bijg de Vredelievende
Karel (945 - voor 953)
een dochter
Lodewijk (948 - 954)
Karel van Neder-Lotharingen (953-991)
Hendrik (953 - 953), tweeling met Karel, kort na de doop overleden.
| Koning van Frankrijk |




































